CRvB: geen garantiebedrag Wajong zonder inkomen december 2020
ECLI:NL:CRVB:2026:1109, Centrale Raad van Beroep, 26-08-2026, 25/567 WAJONG
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Vaststelling hoogte Wajong-uitkering over het jaar 2021. Het Uwv heeft terecht geen garantiebedrag vastgesteld omdat betrokkene niet voldoet aan de voorwaarde dat hij in zowel december 2020 als in januari 20221 inkomen moet hebben gehad, nu uit de gegevens van de Belastingdienst blijkt dat hij in 2020 een negatief bedrijfsresultaat heeft gehad. Terugvordering van de ten onrechte uitbetaalde voorschotten per januari 2021. Betrokkene heeft een fiscale winst genoten uit zijn onderneming over het belastingjaar 2021.
Kern van de zaak
Een Wajong-gerechtigde startte in 2020 een bedrijf dat dat jaar geen winst genereerde. Het UWV stelde zijn uitkering over 2021 definitief vast, vorderde € 12.285,30 terug wegens te veel ontvangen uitkering en weigerde een garantiebedrag omdat betrokkene in december 2020 geen inkomen naast zijn uitkering had.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond. De doorslaggevende reden is dat betrokkene niet voldoet aan de wettelijke voorwaarde voor een garantiebedrag, omdat hij in december 2020 geen inkomen naast zijn Wajong-uitkering had – de fiscale winst over 2020 was immers nihil respectievelijk negatief.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande Wajong-regelgeving toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de impact is primair relevant voor de betrokken groep startende ondernemers met een Wajong-uitkering en heeft beperkte precedentwerking buiten die specifieke context.
Belangrijkste punten
- 1Voor aanspraak op een garantiebedrag onder de Wajong geldt de strikte voorwaarde dat betrokkene zowel in december 2020 als in januari 2021 inkomen naast de uitkering moet hebben gehad.
- 2Een fiscaal negatief bedrijfsresultaat over 2020 telt niet als 'inkomen' in de zin van de Wajong-garantiebedragregeling.
- 3Het UWV mag bij de definitieve vaststelling van de uitkering uitgaan van de door de Belastingdienst vastgestelde fiscale winst.
- 4Een terugvordering van € 12.285,30 bruto over 2021 is rechtmatig vastgesteld nu betrokkene dat jaar wel inkomsten had maar op basis van geschatte inkomsten van € 0,- een te hoog voorschot ontving.
- 5De Centrale Raad vernietigt de aangevallen (lagere) uitspraak, wat impliceert dat de rechtbank het beroep ten onrechte gegrond had verklaard.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de garantiebedragregeling in de Wajong strikt wordt uitgelegd: enkel aantoonbaar ontvangen inkomen in beide referentiemaanden volstaat, en een negatief of nihil fiscaal resultaat kwalificeert niet. Dit sluit ruimte voor een extensievere interpretatie ten gunste van startende ondernemers-Wajong-gerechtigden grotendeels af.
Praktische impact
Betrokkene ontvangt geen garantiebedrag en blijft gehouden de terugvordering van ruim € 12.000 bruto te voldoen. Startende ondernemers met een Wajong-uitkering die in het startjaar geen positieve fiscale winst realiseren, kunnen niet rekenen op bescherming via het garantiebedrag.
Onderwerp-impact
Voor Wajong-gerechtigden die een eigen bedrijf starten is dit een relevante waarschuwing: een verlieslatend of break-evenjaar kort voor de referentieperiode sluit het recht op het garantiebedrag uit, met mogelijk aanzienlijke terugvorderingen als gevolg.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Wajong-gerechtigde die al sinds 2013 een uitkering ontvangt op grond van Hoofdstuk 2 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. In 2020 schreef hij zich in bij de Kamer van Koophandel om een eigen bedrijf te starten, maar realiseerde dat jaar een negatief of nihil fiscaal resultaat. In 2021 had hij wel inkomsten naast zijn uitkering, terwijl het UWV hem op basis van geschatte nul-inkomsten een voorschot van circa € 1.179,- per maand had toegekend. Na ontvangst van de definitieve belastingaanslag over 2021 stelde het UWV de uitkering definitief vast en vorderde € 12.285,30 bruto terug. Tevens werd het recht op een garantiebedrag ontzegd, omdat betrokkene in december 2020 geen inkomen naast zijn Wajong-uitkering had gehad – een cumulatieve voorwaarde die de wet stelt voor toekenning van het garantiebedrag. De centrale juridische vraag was of het UWV terecht het garantiebedrag had geweigerd en de terugvordering had opgelegd. De rechtbank had het beroep aanvankelijk gegrond verklaard, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt die uitspraak en verklaart het beroep alsnog ongegrond. De Raad oordeelt dat uit de fiscale gegevens van de Belastingdienst onomstotelijk blijkt dat betrokkene in 2020 geen positief inkomen uit zijn onderneming heeft gehad. Nu de wet vereist dat in zowel december 2020 als januari 2021 inkomen naast de uitkering aanwezig moet zijn geweest, en aan die eerste voorwaarde niet is voldaan, bestaat geen recht op het garantiebedrag. De terugvordering over 2021 is daarmee eveneens rechtmatig. De uitspraak illustreert dat de Wajong-garantiebedragregeling strikt wordt toegepast en dat startende ondernemers die in hun opstartfase geen fiscaal resultaat boeken, buiten de bescherming van deze regeling vallen.