Hoger beroep BBZ niet-ontvankelijk wegens te late indiening
ECLI:NL:CRVB:2026:1102, Centrale Raad van Beroep, 11-08-2026, 26/430 BBZ
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Hoger beroep niet ontvankelijk. Het beroepschrift is niet binnen de termijn ingediend.
Kern van de zaak
Een appellant in een BBZ-zaak (Besluit bijstandverlening zelfstandigen) stelde te laat hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Het hogerberoepschrift werd op 9 maart 2026 ontvangen, vijf dagen na het verstrijken van de termijn op 4 maart 2026. Appellant voerde aan dat hij redelijkerwijs mocht vertrouwen op zijn rechtshulpverlener voor tijdige indiening.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, omdat het feit dat appellant vertrouwde op een rechtshulpverlener voor tijdige indiening niet afdoende is om de overschrijding van de wettelijke beroepstermijn te rechtvaardigen.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen vaste en breed bekende jurisprudentie over beroepstermijnen en verschoonbaarheid; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de beslissing heeft geen precedentwerking buiten de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1De beroepstermijn bedraagt zes weken op grond van artikel 6:7 Awb, aanvangend daags na bekendmaking van de uitspraak (art. 6:8 Awb).
- 2Het hogerberoepschrift werd op 9 maart 2026 ontvangen, terwijl de termijn op 4 maart 2026 verstreek – een overschrijding van vijf dagen.
- 3Appellant stelde dat hij redelijkerwijs mocht vertrouwen op zijn rechtshulpverlener voor tijdige (pro forma) indiening van het hoger beroep.
- 4De Raad oordeelde dat dit vertrouwen de termijnoverschrijding niet verschoonbaar maakt; materiële belangen spelen bij deze beoordeling geen rol.
- 5Bij niet-verschoonbare termijnoverschrijding is niet-ontvankelijkverklaring verplicht; er bestaat geen ruimte voor een inhoudelijke beoordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de beroepstermijnen uit de Awb en maakt duidelijk dat vertrouwen op een rechtshulpverlener zonder concrete garanties voor tijdige indiening in beginsel geen verschoonbare termijnoverschrijding oplevert. Dit sluit aan bij vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.
Praktische impact
Voor rechtzoekenden in BBZ- en andere bestuursrechtelijke zaken onderstreept deze uitspraak het belang van eigen bewaking van proceduretermijnen, ook wanneer men een rechtshulpverlener heeft ingeschakeld. Het enkel hebben van contact met een rechtshulpverlener is onvoldoende om laattijdige indiening te verontschuldigen.
Onderwerp-impact
In de context van bijstandsverlening aan zelfstandigen (BBZ) benadrukt de uitspraak dat procedurele fouten definitief kunnen zijn en inhoudelijke geschillen over uitkeringen volledig kunnen blokkeren, ongeacht de materiële merites van de zaak.
Samenvatting
In deze zaak bij de Centrale Raad van Beroep stond de vraag centraal of het te laat instellen van hoger beroep in een BBZ-zaak verschoonbaar was. De aangevallen rechtbankuitspraak was op 21 januari 2026 per aangetekende brief aan partijen verzonden, waardoor de hogerberoepcetermijn liep van 22 januari tot en met 4 maart 2026. Het hogerberoepschrift werd echter pas op 9 maart 2026 per e-mail ontvangen, vijf dagen na het verlopen van de termijn. Naar aanleiding van een verzoek om uitleg voerde de gemachtigde van appellant aan dat appellant sinds december 2025 contact had met een rechtshulpverlener. Uit die contacten mocht appellant naar eigen zeggen redelijkerwijs afleiden dat zijn zaak zou worden beoordeeld en dat, indien nodig, tijdig – eventueel pro forma – hoger beroep zou worden ingesteld. Appellant stelde pas na het verstrijken van de termijn te hebben ontdekt dat dit niet was gebeurd. De Centrale Raad van Beroep verwierp dit betoog. Op grond van artikel 6:7 juncto 6:8 en 6:24 Awb geldt een strikte termijn van zes weken voor het instellen van hoger beroep. Niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding blijft alleen achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De Raad oordeelde dat het vertrouwen van appellant op zijn rechtshulpverlener deze drempel niet haalt: de verantwoordelijkheid voor tijdige indiening rust ook op de appellant zelf. Materiële belangen bij het onderliggende geschil zijn bij deze beoordeling niet relevant. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is procedureel van aard en bevestigt de vaste strenge lijn ten aanzien van beroepstermijnen in het bestuursrecht.