Verzoek proceskostenveroordeling WSF afgewezen wegens geen tegemoetkoming
ECLI:NL:CRVB:2026:1099, Centrale Raad van Beroep, 12-08-2026, 23/3481 WSFBSF
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Intrekking hoger beroep. Verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen omdat niet gezegd kan worden dat de minister geheel of gedeeltelijk aan appellant tegemoet is gekomen.
Kern van de zaak
Een student (appellant) verzocht om loskoppeling van zijn vader bij zijn aanvraag voor een aanvullende studiebeurs (WSF). Hij tekende hoger beroep aan en vroeg na intrekking van het beroep om een proceskostenveroordeling van de minister.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. De doorslaggevende reden is dat de minister niet geheel of gedeeltelijk aan appellant is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a Awb: de toegekende aanvullende beurs was het gevolg van beschikbaar gekomen inkomensgegevens van de vader, niet van de gevraagde loskoppeling.
Impactscore
LaagHet betreft een casuïstische toepassing van een bekende regel uit de Awb in een WSF-zaak zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de uitspraak heeft beperkte precedentwaarde buiten de specifieke feitelijke context.
Belangrijkste punten
- 1Proceskostenveroordeling op grond van art. 8:75a Awb vereist dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener is tegemoetgekomen.
- 2De toekenning van een aanvullende beurs was uitsluitend gebaseerd op alsnog beschikbaar gekomen inkomensgegevens van de vader, niet op loskoppeling.
- 3Voor de peiljaren 2023 en 2024 kon de minister de inkomensgegevens van de vader niet vaststellen, maar dit leidde evenmin tot loskoppeling of toekenning van een aanvullende beurs.
- 4Van een inhoudelijke tegemoetkoming aan het verzoek om loskoppeling was in geen enkel jaar sprake.
- 5De zaak is zonder zitting afgedaan, nu partijen daartoe geen verzoek hadden gedaan (art. 8:108 jo. 8:75a Awb).
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte uitleg van het begrip 'tegemoetkomen' in art. 8:75a Awb: een feitelijk gunstig resultaat voor appellant dat niet voortvloeit uit inwilliging van het beroepsstandpunt volstaat niet voor proceskostenveroordeling.
Praktische impact
Studenten die in beroep gaan over WSF-besluiten en een gedeeltelijk positieve uitkomst bereiken, kunnen alleen aanspraak maken op proceskostenvergoeding als het bestuursorgaan daadwerkelijk op hun inhoudelijke standpunt is teruggekomen.
Onderwerp-impact
In het studiefinancieringsdomein verduidelijkt deze uitspraak dat administratieve correcties (zoals het invoeren van inkomensgegevens) niet gelijkgesteld kunnen worden aan beleidsmatige tegemoetkomingen zoals loskoppeling van ouders.
Samenvatting
In deze zaak verzocht een student (appellant) de minister van Onderwijs om loskoppeling van zijn vader bij de berekening van zijn aanvullende studiebeurs op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (WSF). De minister weigerde dit verzoek. Appellant stelde hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep. Gedurende de procedure werd alsnog voor een aantal peiljaren een aanvullende beurs toegekend, omdat inkomensgegevens van de vader beschikbaar waren gekomen. Appellant trok vervolgens het hoger beroep in, maar verzocht op grond van artikel 8:75a van de Awb (in verbinding met artikel 8:108 Awb) om vergoeding van de proceskosten, stellende dat de minister gedeeltelijk aan hem tegemoet was gekomen. De Centrale Raad van Beroep wijst dit verzoek af. De Raad stelt vast dat de toegekende aanvullende beurs geen gevolg is van een inhoudelijke tegemoetkoming aan het verzoek om loskoppeling, maar uitsluitend van het feit dat inkomensgegevens van de vader voor bepaalde peiljaren alsnog konden worden vastgesteld. Van loskoppeling was geen sprake. Ook voor de jaren 2023 en 2024 – waarvoor de minister de inkomensgegevens niet kon vaststellen – heeft dit niet geleid tot loskoppeling of toekenning van een beurs op die grond. Voor een proceskostenveroordeling op basis van artikel 8:75a Awb is vereist dat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk op het inhoudelijke standpunt van de indiener is teruggekomen. Nu daarvan geen sprake is, ontbreekt de wettelijke grondslag voor een kostenveroordeling. De uitspraak bevestigt dat een feitelijk gunstig resultaat voor een appellant – dat echter niet voortvloeit uit inwilliging van het beroepsstandpunt – niet volstaat als 'tegemoetkomen' in de zin van de Awb.