Bijstandsintrekking na niet overleggen bankafschriften ongegrond verklaard
ECLI:NL:CRVB:2026:1092, Centrale Raad van Beroep, 18-08-2026, 25/1415 PW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Judiciële lus. Intrekking van bijstand. Niet overleggen van bankafschriften. Goede procesorde. Appellant heeft op de zitting van de Raad bankafschriften van Triodos Bank overgelegd. De Raad acht het pas op de zitting overleggen van deze bankafschriften in strijd met de goede procesorde. Hierbij neemt de Raad in aanmerking dat het college vóór het bestreden besluit al drie keer om die afschriften heeft gevraagd en appellant dus al lange tijd op de hoogte was dat hij deze moest verstrekken. Appellant heeft geen reden gegeven waarom hij de bankafschriften, die volgens de datum op de prints al op 25 november 2025 zijn uitgeprint, niet eerder dan op de zitting van de Raad heeft kunnen overleggen. Het college had zich met een brief van 29 juni 2026 al afgemeld voor de zitting, waardoor hij niet inhoudelijk heeft kunnen reageren op de bankafschriften.
Kern van de zaak
Appellant ontving bijstand (PW) en kreeg deze ingetrokken omdat hij bankafschriften over 2019 niet had overgelegd. Na eerdere procedures waarbij de grondslagwijziging door het college (van art. 54 lid 4 naar lid 3 PW) pas ter zitting plaatsvond, kreeg appellant alsnog de gelegenheid om afschriften van zijn Triodos Bank-rekening in te leveren.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep tegen het besluit van 5 maart 2025 ongegrond. Doorslaggevend is dat appellant na de eerdere uitspraak van 5 november 2024 alsnog de kans heeft gekregen bankafschriften over te leggen, en het college kennelijk op basis daarvan tot een besluit is gekomen dat de rechterlijke toets doorstaat.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over de inlichtingenplicht en grondslagwijziging in bestuursrechtelijke procedures; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de einduitkomst is een routineuze ongegrondverklaring na herstel van een eerder procedureel gebrek.
Belangrijkste punten
- 1Het college trok eerder de bijstand in op grond van art. 54 lid 4 PW wegens het niet overleggen van bankafschriften over 2019.
- 2De Raad vernietigde in 2024 het eerdere besluit omdat het college de grondslag (naar art. 54 lid 3 PW) pas ter zitting wijzigde, waardoor appellant zijn recht op het overleggen van bewijsstukken werd ontnomen.
- 3Appellant kreeg alsnog de gelegenheid de Triodos Bank-afschriften te overleggen, waarna het college op 5 maart 2025 een nieuw besluit nam.
- 4Het beroep tegen dit nieuwe besluit van 5 maart 2025 wordt door de Centrale Raad van Beroep ongegrond verklaard.
- 5De uitspraak benadrukt het belang van hoor en wederhoor en de grenzen van grondslagwijziging in hoger beroep.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een grondslagwijziging door het bestuursorgaan pas in hoger beroep een schending van de verdedigingsrechten van de belanghebbende kan opleveren, wat tot vernietiging leidt; na herstel van dat gebrek kan een inhoudelijk oordeel echter alsnog in het nadeel van appellant uitvallen.
Praktische impact
Voor bijstandsgerechtigden betekent dit dat zij na een vernietiging wegens een procedureel gebrek alsnog inhoudelijk moeten aantonen recht op bijstand te hebben; het overleggen van bankafschriften blijft een harde verplichting.
Onderwerp-impact
Binnen de bijstandspraktijk onderstreept de zaak het belang van volledige en tijdige informatieverstrekking door uitkeringsgerechtigden, en de procedurele zorgvuldigheid die gemeenten in acht moeten nemen bij intrekkingsbesluiten.
Samenvatting
Deze zaak betreft een bijstandsgerechtigde (appellant) wiens uitkering op grond van de Participatiewet (PW) werd ingetrokken omdat hij geen bankafschriften over 2019 had overgelegd. Na een eerste rechterlijke procedure, waarbij de rechtbank het beroep ongegrond had verklaard, vernietigde de Centrale Raad van Beroep in november 2024 zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit op bezwaar. De reden daarvoor was dat het college tijdens de zitting van de Raad de juridische grondslag voor de intrekking had gewijzigd — van artikel 54, vierde lid, PW naar artikel 54, derde lid, eerste volzin, PW — omdat appellant een bankrekening bij de Triodos Bank niet had gemeld. Door deze late grondslagwijziging was appellant de mogelijkheid ontnomen om in hoger beroep alsnog de relevante bankafschriften te overleggen. De Raad oordeelde dat daardoor niet kon worden vastgesteld dat het motiveringsgebrek zonder gevolgen was gebleven. Het college werd opgedragen appellant alsnog de gelegenheid te geven die afschriften in te leveren. Na dat hersteltraject nam het college op 5 maart 2025 een nieuw besluit. Appellant stelde opnieuw beroep in tegen dit besluit. In de onderhavige uitspraak van 18 augustus 2026 verklaart de Centrale Raad van Beroep dit beroep ongegrond. De Raad komt daarmee tot het oordeel dat het nieuwe besluit — dat is genomen nadat het procedurele gebrek was hersteld en appellant de kans had gekregen zijn bankgegevens te verstrekken — stand houdt. De zaak illustreert enerzijds het belang van procedurele zorgvuldigheid door bestuursorganen bij grondslagwijzigingen, en anderzijds dat bijstandsgerechtigden de inlichtingenplicht strikt moeten nakomen, ook als een eerder besluit om formele redenen is vernietigd.