Vrijgesproken leerkracht verliest WW na ontslag wegens vertrouwensbreuk
ECLI:NL:CRVB:2026:1082, Centrale Raad van Beroep, 13-08-2026, 24/2748 WW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Het gaat in deze zaak om de vraag of het Uwv terecht op de WW-uitkering van appellant de helft in mindering heeft gebracht gedurende 26 weken, omdat appellant zijn verplichting te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt niet is nagekomen en dit hem niet in overwegende mate kan worden verweten. Het Uwv is niet gebonden aan de vaststellingsovereenkomst tussen appellant en ex-werkgever. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend.
Kern van de zaak
Een leerkracht op een openbare basisschool werd in 2017 geschorst na een melding van seksueel misbruik. Hoewel hij door de strafrechter werd vrijgesproken, beëindigde de werkgever het dienstverband per 1 januari 2019 wegens plichtsverzuim dan wel onherstelbare vertrouwensbreuk. Het UWV weigerde vervolgens een WW-uitkering omdat sprake zou zijn van verwijtbare werkloosheid.
Beslissing van de rechter
De Centrale Raad van Beroep behandelt het hoger beroep van appellant tegen de weigering van het UWV om hem een WW-uitkering toe te kennen. Op basis van de beschikbare tekst lijkt de kern van het geschil of de werkloosheid als verwijtbaar moet worden aangemerkt ondanks de strafrechtelijke vrijspraak; de definitieve uitkomst is niet volledig uit de aangeleverde tekst af te leiden.
Impactscore
MiddelDe zaak betreft een individueel geschil over verwijtbare werkloosheid, maar raakt een principieel punt over de verhouding tussen strafrechtelijke vrijspraak en sociaalzekerheidsrechtelijke beoordeling; de impact is beperkt tot vergelijkbare gevallen en heeft geen richtinggevend karakter.
Belangrijkste punten
- 1Leerkracht strafrechtelijk vrijgesproken van ontucht, maar arbeidsrechtelijk ontslagen wegens plichtsverzuim en/of onherstelbare vertrouwensbreuk
- 2UWV weigerde WW-uitkering op grond van verwijtbare werkloosheid (artikel 24 WW)
- 3Eerder verleende WW-voorschotten worden teruggevorderd indien verwijtbare werkloosheid wordt vastgesteld
- 4Strafrechtelijke vrijspraak staat niet automatisch in de weg aan de arbeidsrechtelijke beoordeling van verwijtbaar gedrag
- 5Zowel de bezwaarprocedure bij de werkgever als het beroep bij de rechtbank Noord-Holland liepen parallel aan de WW-procedure
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak illustreert dat een strafrechtelijke vrijspraak niet zonder meer doorwerkt in de sociaalzekerheidsrechtelijke beoordeling van verwijtbare werkloosheid; de arbeidsrechtelijke en bestuursrechtelijke maatstaf blijven zelfstandig. Dit is relevant voor de uitleg van artikel 24 WW in gevallen waarbij ontslag en vrijspraak samenvallen.
Praktische impact
Voor de appellant betekent de procedure voortgezette onzekerheid over zijn recht op WW-uitkering en terugvordering van reeds ontvangen voorschotten. Voor andere werknemers in vergelijkbare situaties verduidelijkt dit traject dat een vrijspraak in het strafrecht geen garantie biedt voor toekenning van een WW-uitkering.
Onderwerp-impact
In de onderwijssector onderstreept deze zaak dat werkgevers ook na een strafrechtelijke vrijspraak arbeidsrechtelijk kunnen optreden op basis van een vertrouwensbreuk, met vergaande gevolgen voor de sociale zekerheidsaanspraken van de betrokken werknemer.
Samenvatting
Deze zaak bij de Centrale Raad van Beroep betreft een leerkracht die vanaf 2006 werkzaam was op een openbare basisschool. In augustus 2017 deden ouders van een (oud-)leerlinge melding van seksueel misbruik dat in 2010 zou hebben plaatsgevonden. De werkgever schorste de leerkracht hangende de strafrechtelijke procedure. De strafrechter sprak hem in oktober 2018 vrij van ontucht, welke vrijspraak in hoger beroep standhield. Desondanks beëindigde de werkgever het dienstverband per 1 januari 2019, primair wegens plichtsverzuim en subsidiair wegens een onherstelbare vertrouwensbreuk. De leerkracht diende een WW-aanvraag in. Het UWV kende aanvankelijk een voorschot toe, maar weigerde vervolgens definitief een WW-uitkering omdat de werkloosheid als verwijtbaar werd aangemerkt in de zin van artikel 24 WW. Bovendien kondigde het UWV terugvordering van de verstrekte voorschotten aan. Zowel het bezwaar bij het UWV als het beroep bij de rechtbank liepen stuk. De centrale juridische vraag in deze procedure is of de werkloosheid als verwijtbaar moet worden gekwalificeerd, ondanks de strafrechtelijke vrijspraak. In het socialezekerheidsrecht geldt een eigenstandige maatstaf: een vrijspraak in het strafrecht sluit verwijtbaarheid in arbeids- en bestuursrechtelijke zin niet automatisch uit. De werkgever kon het ontslag baseren op de vertrouwensbreuk, ongeacht de uitkomst van het strafproces. De Centrale Raad van Beroep buigt zich over de vraag of het UWV de WW-uitkering terecht blijvend geheel heeft geweigerd. Omdat de aangeleverde uitspraaktekst onvolledig is, kan de definitieve beslissing van de Raad niet met zekerheid worden vastgesteld. De zaak is echter illustratief voor de complexe samenloop van straf-, arbeids- en sociaalzekerheidsrecht bij ernstige beschuldigingen op de werkvloer.