Bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten alsnog toegekend
ECLI:NL:CRVB:2025:1597, Centrale Raad van Beroep, 28-10-2025, 23/2862 PW
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Afwijzing aanvraag. Bijzondere bijstand voor tandheelkundige behandelingen. Beleidsregels. Geen uitstelbare behandeling. Zelf voorzien. Afwijzing verzoek om schadevergoeding. Overschrijding redelijke termijn. Zeer gering financieel belang. Aansluiting bij rechtspraak Hoge Raad. In hoger beroep ligt alleen ter beoordeling voor of sprake is van een niet uitstelbare behandeling in de zin van de beleidsregels. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, kan de verklaring van het CTM van het UMCG niet anders worden opgevat dan dat de tandheelkundige behandelingen waarvoor appellant bijzondere bijstand heeft aangevraagd niet uitstelbare behandelingen betroffen. Uitstel zou immers tot gezondheidsschade bij appellant hebben geleid. De Raad sluit zich in beginsel aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad, waarin tot uitgangspunt is genomen dat zich een bijzondere omstandigheid voordoet, wanneer het financiële belang bij de procedure minder dan € 1.000,- bedraagt en de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden. In dat geval kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden. In deze zaak is van die situatie sprake.
Kern van de zaak
Een bijstandsgerechtigde vroeg bijzondere bijstand aan voor tandheelkundige behandelingen ter waarde van € 770,56. Het college weigerde de bijstand omdat de behandelingen als uitstelbaar werden beschouwd. Appellant ging hiertegen in beroep en vervolgens in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard: de Centrale Raad van Beroep oordeelt, anders dan de rechtbank, dat de tandheelkundige behandelingen niet uitstelbaar waren op basis van de door appellant overgelegde gegevens, en verplicht het college alsnog bijzondere bijstand van € 770,56 toe te kennen. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is afgewezen, omdat de overschrijding van ruim zes maanden in de gegeven omstandigheden geen aanleiding geeft tot vergoeding.
Impactscore
LaagHet betreft een zaak met een beperkt financieel belang (€ 770,56) en een casuïstische beoordeling van feiten. De overweging over de redelijke termijn heeft enige bredere betekenis voor het sociaal domein, maar is niet fundamenteel richtinggevend.
Belangrijkste punten
- 1De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de tandheelkundige behandelingen niet uitstelbaar waren, in afwijking van het oordeel van de rechtbank.
- 2Bijzondere bijstand van € 770,56 voor tandheelkundige kosten moet alsnog worden verstrekt door het college.
- 3De Raad sluit zich aan bij het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024 (ECLI:NL:HR:2024:853) over schadevergoeding bij termijnoverschrijding.
- 4Bij een financieel belang onder € 1.000,- en een overschrijding van maximaal twaalf maanden geldt als uitgangspunt dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die schadevergoeding kan uitsluiten.
- 5De Raad nuanceert dat de uitgangspunten van de Hoge Raad niet altijd opgaan, met name gezien de specifieke aard van geschillen in het sociaal domein.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt hoe de Centrale Raad van Beroep de normen uit het Hoge Raad-arrest van 14 juni 2024 toepast op zaken in het sociaal domein, met expliciete ruimte voor afwijking bij geschillen van geringe financiële omvang. Dit biedt een referentiekader voor toekomstige termijnoverschrijdingsvorderingen in bijstandszaken.
Praktische impact
Het college wordt verplicht de bijzondere bijstand van € 770,56 aan appellant uit te betalen en wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Voor appellant betekent dit dat de kosten van de tandheelkundige behandelingen alsnog worden vergoed.
Onderwerp-impact
De uitspraak bevestigt dat tandheelkundige behandelingen onder omstandigheden niet als uitstelbaar kunnen worden gekwalificeerd, wat relevant is voor de beoordeling van vergelijkbare aanvragen bijzondere bijstand in het kader van de Participatiewet.
Samenvatting
In deze uitspraak van de Centrale Raad van Beroep stond de vraag centraal of de gemeente (het college) terecht had geweigerd bijzondere bijstand toe te kennen voor tandheelkundige behandelingen die appellant in 2021 had ondergaan. Het college stelde dat het om uitstelbare behandelingen ging, waarvoor geen bijzondere bijstand verschuldigd was. De rechtbank had het college daarin gevolgd, maar appellant stelde in hoger beroep dat de behandelingen wel degelijk niet-uitstelbaar waren. De Centrale Raad van Beroep beoordeelt uitsluitend de vraag of de behandelingen al dan niet uitstelbaar waren, omdat over de overige aspecten na de eerdere rechtbankuitspraak geen hoger beroep was ingesteld. Op basis van de door appellant overgelegde gegevens concludeert de Raad, anders dan de rechtbank, dat de tandheelkundige behandelingen niet uitstelbaar waren. Het hoger beroep is daarmee gegrond verklaard: het eerdere besluit van het college wordt herroepen en het college wordt verplicht bijzondere bijstand van € 770,56 toe te kennen. Daarnaast had appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De Raad wijst dit verzoek af. In dat kader sluit de Raad zich in beginsel aan bij het arrest van de Hoge Raad van 14 juni 2024, dat als uitgangspunt hanteert dat bij een financieel belang onder € 1.000,- en een termijnoverschrijding van maximaal twaalf maanden sprake kan zijn van een bijzondere omstandigheid die schadevergoeding uitsluit. De Raad voegt hieraan toe dat deze uitgangspunten niet altijd opgaan, in het bijzonder gezien de specifieke aard van geschillen in het sociaal domein. Nu de redelijke termijn in deze zaak met ruim zes maanden is overschreden en het financieel belang beperkt is, wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Het college wordt wel veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.