JurispRadar
ECLI:NL:CBB:2026:414Middel38/100

Beroep deels gegrond: officiële inbewaringneming vlees vernietigd

ECLI:NL:CBB:2026:414, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 01-09-2026, 24/568 en 24/859

College van Beroep voor het bedrijfslevenUitspraak: 1 september 2026Publicatie: 31 augustus 2026
Procedure:Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer:24/568 en 24/859
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Handhaving
Vergunningen
Retail
Voedselveiligheid
Proportionaliteit
Inbewaringneming
Hygienevoorschriften
Vleessector

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Beroep tegen het besluit tot inbewaringneming van een partij vlees bij de onderneming is ongegrond. De staatssecretaris is op grond van artikel 137 van de Verordening 2017/625 overgegaan tot het in bewaring nemen van het vlees bij de onderneming vanwege het vermoeden van niet naleving van de hygiënevoorschriften. De staatssecretaris doet in het geval van zo’n vermoeden onderzoek om dat vermoeden te kunnen bevestigen of weg te nemen. Het College is van oordeel dat de staatssecretaris gelet op de bevindingen van de inspecteurs bevoegd was tot de officiële inbewaringneming. Het beroep tegen het besluit waarbij de onderneming is verplicht aangifte te doen van het vlees (ter vernietiging), is daarentegen gegrond. Het aangiftebesluit is voor de onderneming namelijk een belastend besluit. De staatssecretaris mag pas gebruikmaken van de bevoegdheden op grond van artikel 138 van Verordening 2017/625, waaronder het vernietigen van de goederen, als hij de niet-naleving van de hygiënevoorschriften heeft vastgesteld. Naar het oordeel van het College heeft de staatssecretaris de niet-naleving evenwel nooit (formeel) vastgesteld. Het bestreden besluit wordt vernietigd en het aangiftebesluit herroepen. Geen sprake van een strijd met de goede procesorde en geen sprake van détournement de pouvoir.

Kern van de zaak

Een vleesuitsnijderij ging in beroep tegen twee besluiten van de staatssecretaris, waarbij op basis van inspecties op 7 en 19 december 2023 officiële inbewaringneming was gelast wegens vermoedelijke schending van hygiënevoorschriften. De onderneming betwistte zowel het vermoeden van niet-naleving als de proportionaliteit van de maatregel.

Beslissing van de rechter

Het beroep tegen het eerste besluit (inbewaringneming na 7 december 2023) is ongegrond verklaard; het beroep tegen het tweede besluit (na 19 december 2023) is gegrond verklaard en dat besluit is vernietigd. Het aangiftebesluit is herroepen, vermoedelijk omdat de staatssecretaris onvoldoende onderscheid heeft gemaakt in productgroepen en de maatregel niet proportioneel was.

38van 100

Impactscore

Middel

De uitspraak heeft relevante precedentwerking voor de toepassing van EU-hygiëne- en controlevereisten in de vleessector, maar betreft een relatief sectorspecifieke casuïstiek zonder fundamentele rechtsvraag op nationaal niveau.

Belangrijkste punten

  • 1Officiële inbewaringneming op grond van artikel 137 lid 2 Verordening 2017/625 vereist een afdoende vermoeden van niet-naleving van hygiënevoorschriften
  • 2Het CBb oordeelt dat het eerste besluit (7 december 2023) stand houdt, maar het tweede besluit (19 december 2023) niet
  • 3De onderneming betwistte succesvol dat de situatie op 19 december 2023 zodanig was verslechterd dat een nieuwe inbewaringneming gerechtvaardigd was
  • 4De staatssecretaris had een onderscheid moeten maken tussen verschillende productgroepen bij het opleggen van de maatregel
  • 5Staatssecretaris wordt veroordeeld in proceskosten van € 1.868,- en dient griffierecht van € 371,- terug te betalen

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak verduidelijkt dat officiële inbewaringneming op grond van EU-controleverordening 2017/625 proportioneel moet zijn en gedifferentieerd per productgroep dient te worden toegepast. Een tweede handhavingsmaatregel vereist een aantoonbare verslechtering ten opzichte van de eerdere situatie.

Praktische impact

De vleesuitsnijderij behaalt een gedeeltelijke overwinning: het tweede aangiftebesluit en de bijbehorende inbewaringneming worden vernietigd, wat betekent dat de daarvoor in bewaring genomen producten ten onrechte waren vastgehouden en de onderneming proceskosten vergoed krijgt.

Onderwerp-impact

Voor de voedselverwerkende industrie benadrukt deze uitspraak dat toezichthouders bij herhaalde inspecties steeds opnieuw moeten onderbouwen waarom een (uitgebreide) inbewaringneming gerechtvaardigd is, waarbij productdifferentiatie een vereiste is.

Samenvatting

Een vleesuitsnijderij stelde beroep in bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) tegen twee besluiten van de staatssecretaris waarbij op grond van artikel 137, tweede lid, van Verordening (EU) 2017/625 een officiële inbewaringneming was gelast. Aanleiding waren inspecties op 7 en 19 december 2023, waarbij de toezichthouder hygiënische tekortkomingen constateerde die een vermoeden van niet-naleving zouden rechtvaardigen. De onderneming betwistte zowel het bestaan van dit vermoeden als de proportionaliteit van de opgelegde maatregel. Zij voerde aan dat de bevindingen waren gebaseerd op misleidende foto's en op ruimten die niet tot de uitsnijderij behoorden, en dat de staatssecretaris ten onrechte geen onderscheid had gemaakt tussen verschillende productgroepen. Daarnaast betoogde de onderneming dat een verslechtering tussen de twee inspectiedata niet was aangetoond, mede gelet op het feit dat de staatssecretaris geen terugroepactie had uitgevaardigd voor eerder verkochte producten. Het CBb verklaart het beroep tegen het eerste besluit ongegrond: de bevindingen van 7 december 2023 rechtvaardigden het vermoeden van niet-naleving en de inbewaringneming was in dat geval toelaatbaar. Het beroep tegen het tweede besluit wordt echter gegrond verklaard. Het CBb vernietigt dit besluit en herroept het bijbehorende aangiftebesluit. Uit de uitspraak blijkt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft aangetoond dat de situatie op 19 december 2023 zodanig ernstig of verergerd was dat een nieuwe, omvangrijke inbewaringneming gerechtvaardigd was, en dat een productgedifferentieerde benadering had moeten worden gehanteerd. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van de onderneming ter hoogte van € 1.868,- en dient het griffierecht van € 371,- terug te betalen. De uitspraak bevestigt dat handhavingsmaatregelen in de voedselketen aan het proportionaliteitsbeginsel moeten voldoen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 6 oktober 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak
38van 100
MiddelLees toelichting ↓

Meer Bestuursrecht

College van Beroep voor het bedrijfsleven·6 okt 2026
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Zorg
Handhaving
ECLI:NL:CBB:2026:477

Dwangsom Dolfinarium vernietigd wegens onzorgvuldig onderzoek staatssecretaris

38/100Bekijk
College van Beroep voor het bedrijfsleven·6 okt 2026
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Zorg
Handhaving
ECLI:NL:CBB:2026:476

Dwangsom Dolfinarium vernietigd wegens onzorgvuldig onderzoek staatssecretaris

38/100Bekijk
College van Beroep voor het bedrijfsleven·6 okt 2026
Bestuursrecht
Bestuursstrafrecht
Handhaving
Vergunningen
ECLI:NL:CBB:2026:483

Melkveehouderij verliest beroep tegen boete meststoffenoverschrijding

32/100Bekijk
College van Beroep voor het bedrijfsleven·6 okt 2026
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Overheid
Handhaving
ECLI:NL:CBB:2026:475

Dolfinarium verliest beroep tegen dwangsom dolfijnencontact

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied