Vervoerder krijgt proceskosten na opheffing dwangsombesluit dierentransport
ECLI:NL:CBB:2026:362, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 04-08-2026, 23/1947
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Aan de vervoerder is een last onder dwangsom (dwangsombesluit) opgelegd waaraan geen looptijd was verbonden. Vlak voor de zitting heeft de minister het dwangsombesluit voor de toekomst opgeheven, omdat er inmiddels drie jaren waren verstreken en er in die tijd geen overtredingen zijn vastgesteld en dwangsommen verbeurd. De vervoerder heeft vanwege de opheffing van het dwangsombesluit het beroep ingetrokken met het verzoek om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht (artikel 8:75a Awb). Het College stelt vast dat met de opheffing van het dwangsombesluit aan dit besluit de werking voor de toekomst is ontnomen. Daarmee is de minister uit eigen beweging deels tegemoetgekomen aan de vervoerder. Dat de opheffing is ingegeven doordat er geruime tijd is verstreken na het dwangsombesluit en de vervoerder zich in die tijd aan de last heeft gehouden, maakt dit niet anders. Omdat in dit geval niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan moet worden afgezien van een proceskostenveroordeling, zal het College de minister veroordelen in de door de vervoerder gemaakte proceskosten.
Kern van de zaak
Een vervoerder ging in beroep tegen een last onder dwangsom van de minister, opgelegd wegens oneigenlijk gebruik van middelen bij dierentransport. Na drie jaar zonder overtredingen hief de minister het dwangsombesluit op. De vervoerder trok het beroep in maar verzocht om vergoeding van proceskosten.
Beslissing van de rechter
Het College behandelt de intrekking van het beroep en het verzoek om proceskostenvergoeding op grond van artikel 8:75a Awb; de minister betwist de vergoedingsplicht omdat het besluit is opgeheven (niet ingetrokken) en hij meent dat het dwangsombesluit nog steeds rechtmatig was. De uitkomst van de proceskostenbeslissing is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar het College heeft de zaak inhoudelijk beoordeeld na intrekking.
Impactscore
LaagDe zaak betreft een procedurele proceskostenkwestie na intrekking van beroep in een individuele handhavingszaak; de rechtsvraag over opheffing versus intrekking is interessant maar heeft beperkte brede precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Minister legde last onder dwangsom op wegens oneigenlijk gebruik van middelen bij dierentransport (25 april 2023).
- 2Na drie jaar zonder geconstateerde overtredingen hief de minister het dwangsombesluit op bij besluit van 12 maart 2026.
- 3Vervoerder trok beroep in wegens verlies aan procesbelang, maar verzocht om vergoeding van proceskosten en griffierecht (art. 8:75a Awb).
- 4Minister stelde zich op het standpunt dat opheffing wegens gewijzigde omstandigheden geen erkenning van onrechtmatigheid inhoudt en dus geen grond voor proceskostenvergoeding geeft.
- 5Het onderscheid tussen intrekking (impliceert onrechtmatigheid) en opheffing (wegens gewijzigde omstandigheden) is de centrale juridische vraag voor de proceskostenbeslissing.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak bevestigt het belang van het onderscheid tussen intrekking en opheffing van een dwangsombesluit in het kader van de proceskostenvergoeding ex artikel 8:75a Awb: alleen wanneer het bestuursorgaan aan de eiser tegemoetkomt, bestaat aanspraak op vergoeding. Of opheffing wegens tijdsverloop als tegemoetkomen kwalificeert, is juridisch relevant voor de bestuurspraktijk.
Praktische impact
Vervoerders en andere ondernemers die geconfronteerd worden met een last onder dwangsom moeten er rekening mee houden dat opheffing van de last na langdurig naleven niet automatisch leidt tot vergoeding van de proceskosten van een ingetrokken beroepsprocedure.
Onderwerp-impact
In de transportsector, en specifiek bij dierentransport, onderstreept deze zaak dat handhavingsbeslissingen ook na jaren juridisch relevant kunnen blijven voor de kostenverdeling in bezwaar- en beroepsprocedures.
Samenvatting
Een vervoerder ontving op 25 april 2023 van de minister een last onder dwangsom wegens het oneigenlijk gebruikmaken van middelen bij het transport van dieren. De minister verklaarde het bezwaar van de vervoerder hiertegen ongegrond bij besluit op bezwaar van 9 oktober 2023, waarna de vervoerder beroep instelde bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Gedurende de beroepsprocedure – na drie jaar zonder geconstateerde overtredingen en zonder verbeurde dwangsommen – besloot de minister op 12 maart 2026 het dwangsombesluit op te heffen. De grondslag voor opheffing was gelegen in de gewijzigde omstandigheden: de vervoerder had aangetoond het gedrag te hebben gestaakt, zodat voortzetting van de last niet langer redelijk werd geacht. Nadat het College de vervoerder bevroeg over zijn procesbelang, liet de vervoerder weten dit belang niet langer te hebben en trok hij het beroep in. Tegelijkertijd verzocht hij op grond van artikel 8:75a Awb om vergoeding van de proceskosten en het griffierecht, nu de minister door het opheffen van het dwangsombesluit gedeeltelijk aan hem tegemoet was gekomen. De minister betwistte de vergoedingsplicht. Zijn standpunt was dat het dwangsombesluit weliswaar is opgeheven, maar niet ingetrokken wegens onrechtmatigheid. De opheffing berustte uitsluitend op gewijzigde feitelijke omstandigheden, terwijl het besluit naar zijn oordeel rechtmatig is gebleven. Daarmee zou geen sprake zijn van een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a Awb die een proceskostenvergoeding rechtvaardigt. De centrale juridische vraag in de eindbeslissing betreft het onderscheid tussen intrekking en opheffing van een handhavingsbesluit in relatie tot de proceskostenregeling. De beslissing van het College op dit punt is op basis van de beschikbare tekst niet volledig kenbaar, maar de zaak illustreert een praktisch relevant spanningsveld in het bestuursrecht tussen handhavingsbesluiten die door tijdsverloop hun functie verliezen en de rechtsgevolgen daarvan voor kostenvergoeding.