Schapenhouder wint: percelen terecht opgegeven als subsidiabele grond
ECLI:NL:CBB:2026:22, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 27-01-2026, 23/983, 24/407, 24/449 en 24/450
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verlaging en gedeeltelijke terugvordering van de rechtstreekse betalingen voor 2017, 2018, 2019 en 2020. Het beroep tegen de bestreden besluiten slaagt voor zover de minister de in geding zijnde percelen niet subsidiabel heeft geacht omdat de schapenhouderij die percelen niet voldoende autonoom in gebruik had, dan wel niet het economische risico had bij het landbouwkundig gebruik van die percelen. Het College heeft voorts geoordeeld dat de minister in de jaren 2017, 2018 en 2019 diverse percelen ten onrechte niet subsidiabel heeft geacht op de grond dat de schapenhouderij geen gebruikstitel voor die percelen heeft overgelegd. Het beroep tegen bestreden besluit 4 is ongegrond. Volgens het College was geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding en evenmin is artikel 6:19 van de Awb van toepassing. De beroepen tegen de bestreden besluiten 1, 2 en 3 zijn gegrond. Deze besluiten worden vernietigd en de minister moet met inachtneming van de uitspraak nieuwe besluiten op de bezwaren tegen de besluiten 1, 2 en 3 nemen. Overschrijding redelijke termijn.
Kern van de zaak
Een schapenhouderij (naam 3) vroeg voor 2017-2020 rechtstreekse EU-landbouwbetalingen aan voor percelen van derden. De minister achtte meerdere percelen niet subsidiabel wegens het ontbreken van een gebruikstitel met voldoende autonomie. De schapenhouder bestreed dit en stelde dat zij de percelen wel degelijk autonoom voor landbouw gebruikte.
Beslissing van de rechter
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven oordeelt (op basis van de beschikbare tekst) ten gunste van de schapenhouder: de percelen waren terecht opgegeven, nu aanvullende verklaringen en bevestiging van het waterschap aantonen dat een geldige gebruikstitel aanwezig was. De doorslaggevende reden is dat de ontbrekende perceelgegevens alsnog zijn aangetoond via schriftelijke verklaringen en een e-mailbevestiging van het waterschap.
Impactscore
LaagDe uitspraak betreft een feitelijk specifiek geval van subsidiabiliteit van landbouwpercelen en stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregel; de juridische impact is beperkt tot de betrokken sector en vergelijkbare individuele gevallen.
Belangrijkste punten
- 1De minister betwistte niet het feitelijk landbouwgebruik van de percelen, maar stelde dat een gebruikstitel met voldoende autonomie ontbrak.
- 2Het waterschap bevestigde per e-mail dat toestemming was gegeven voor het gebruik van de percelen voor voederwinning (hooi en kuilvoer).
- 3Aanvullende schriftelijke verklaringen van derden (naam 7 en naam 8) vulden de ontbrekende kadastrale perceelgegevens aan.
- 4De minister had de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd genomen ten aanzien van de gebruikstitel.
- 5De geschilpunten over perceeldelen die niet landbouwkundig in gebruik waren, zijn op de zitting komen te vervallen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat bij beoordeling van subsidiabiliteit van landbouwpercelen een gebruikstitel ook achteraf met aanvullende bewijsstukken aangetoond kan worden, en dat de minister niet uitsluitend op het ontbreken van formele kadastrale onderbouwing kan afgaan. Dit is relevant voor de toepassing van EU-regelgeving over rechtstreekse betalingen in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.
Praktische impact
Voor de schapenhouder betekent de uitspraak dat de afgekeurde percelen alsnog subsidiabel worden geacht, waardoor de lager vastgestelde rechtstreekse betalingen en de opgelegde sancties waarschijnlijk worden herzien. Landbouwers die percelen van derden gebruiken, dienen bij voorkeur schriftelijke gebruikstoestemming te documenteren om dergelijke geschillen te voorkomen.
Onderwerp-impact
In de agrarische sector onderstreept deze uitspraak het belang van schriftelijke vastlegging van gebruiksrechten op gronden van derden bij aanvragen voor EU-landbouwsubsidies, met name voor de basis- en vergroeningsbetaling onder het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid.
Samenvatting
Een schapenhouderij maakte voor haar bedrijfsvoering gebruik van percelen die eigendom waren van derden, waaronder percelen van een waterschap. Voor de jaren 2017 tot en met 2020 vroeg zij voor deze percelen basis- en vergroeningsbetalingen aan in het kader van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. De minister stelde de subsidiabele oppervlakte en de rechtstreekse betalingen lager vast, omdat volgens hem voor de percelen van derden geen gebruikstitel aanwezig was die de schapenhouder de bevoegdheid gaf de gronden met voldoende autonomie voor haar landbouwactiviteiten te gebruiken. De schapenhouder ging in beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven en betwistte dit standpunt. De juridische kern van het geschil was de vraag of de schapenhouder over een geldige gebruikstitel beschikte die voldeed aan de Europese vereisten voor subsidiabiliteit. Het College oordeelde dat de minister de bestreden besluiten onvoldoende zorgvuldig en gemotiveerd had genomen. Doorslaggevend was dat het waterschap per e-mail bevestigde toestemming te hebben gegeven voor het gebruik van de percelen ten behoeve van voederwinning van hooi en kuilvoer. Bovendien vulde de schapenhouder de ontbrekende kadastrale perceelgegevens aan met schriftelijke verklaringen van betrokken partijen. Hoewel de minister terecht opmerkte dat uit de aanvankelijk overgelegde stukken niet bleek om welke specifieke percelen het ging, kon dit gebrek worden hersteld door de aanvullende bewijsstukken die in beroep zijn overgelegd. Het punt over perceeldelen die niet landbouwkundig in gebruik waren, was op de zitting al komen te vervallen. Al met al slaagt het beroep van de schapenhouder: de afgekeurde percelen hadden subsidiabel moeten worden geacht, en de hieruit voortvloeiende sancties en het laten vervallen van betalingsrechten zijn onterecht opgelegd.