JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:966Laag28/100

Hoger beroep vreemdeling ongegrond wegens AIVD-ambtsbericht nationale veiligheid

ECLI:NL:RVS:2026:966, Raad van State, 20-02-2026, 202206080/1/V3

Raad van StateUitspraak: 20 februari 2026Publicatie: 20 februari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202206080/1/V3
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Handhaving
Redelijke Termijn
Vreemdelingenrecht
Aivd Ambtsbericht
Nationale Veiligheid
Inreisverbod

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 19 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het individueel ambtsbericht van de AIVD op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze inzicht geeft in de feiten en omstandigheden op basis waarvan de AIVD tot de conclusie is gekomen dat appellant zich bij aankomst in Nederland van een alias heeft bediend en een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, en dat deze conclusie zonder nadere toelichting niet onbegrijpelijk is. De minister heeft dit ambtsbericht daarom aan haar besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Appellant heeft geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het ambtsbericht, of aan de juistheid of volledigheid daarvan, naar voren gebracht.

Kern van de zaak

Een vreemdeling die bij aankomst in Nederland een alias zou hebben gebruikt en als gevaar voor de nationale veiligheid wordt aangemerkt, procedeert tegen het besluit van de minister. De AIVD heeft een individueel ambtsbericht opgesteld dat ten grondslag ligt aan het besluit. Appellant betoogt dat het ambtsbericht onvoldoende betrouwbaar is en dat de strafrechtelijke procedure eerst afgerond moet zijn.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Doorslaggevend is dat het AIVD-ambtsbericht op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze de feiten en omstandigheden beschrijft, en appellant geen concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid, juistheid of volledigheid van het ambtsbericht heeft aangedragen. Ook het van rechtswege ontstane beroep tegen het gewijzigde besluit van 8 mei 2025 wordt ongegrond verklaard.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak bevestigt bestaande rechtspraak over de bewijskracht van AIVD-ambtsberichten in vreemdelingenzaken en bevat geen nieuwe rechtsontwikkeling; de Afdeling past expliciet de verkorte afdoening toe omdat geen rechtseenheidsvragen spelen.

Belangrijkste punten

  • 1AIVD-ambtsbericht mag als grondslag dienen voor besluitvorming indien het objectief, onpartijdig en inzichtelijk is opgesteld
  • 2Appellant droeg geen concrete aanknopingspunten aan voor twijfel aan de zorgvuldigheid of juistheid van het ambtsbericht
  • 3Afronding van een lopende strafrechtelijke procedure is geen vereiste voordat een AIVD-ambtsbericht als juist kan worden aangenomen
  • 4De Afdeling past de verkorte motivering ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheidsvragen bevat
  • 5Appellant verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn; hij verkeert sinds 2018 in onzekerheid over zijn verblijfsstatus

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de bestaande lijn dat een AIVD-ambtsbericht als zelfstandige grondslag voor vreemdelingenrechtelijke besluitvorming kan dienen, mits het voldoet aan de eisen van objectiviteit en inzichtelijkheid. Een lopende strafprocedure schort deze mogelijkheid niet op.

Praktische impact

Voor de appellant betekent de uitspraak dat zijn verblijfsstatus in Nederland onzeker blijft; hij heeft Nederland overigens al op 9 juli 2025 verlaten. Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn (sinds 2018) is nog niet volledig afgedaan in de beschikbare tekst.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken waarbij nationale veiligheid in het geding is, bevestigt deze uitspraak dat AIVD-ambtsberichten een zwaarwegende en in beginsel doorslaggevende rol spelen, waarbij de bestuursrechter slechts marginaal toetst op concrete twijfelpunten die de appellant zelf moet aandragen.

Samenvatting

In deze zaak procedeert een vreemdeling in hoger beroep tegen een besluit van de minister waarbij zijn verblijfsstatus wordt beëindigd op basis van een individueel ambtsbericht van de AIVD. Volgens dat ambtsbericht heeft de vreemdeling bij zijn aankomst in Nederland gebruik gemaakt van een alias en vormt hij een gevaar voor de nationale veiligheid. De rechtbank had het beroep eerder ongegrond verklaard, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. De kern van het oordeel is dat het AIVD-ambtsbericht op objectieve, onpartijdige en inzichtelijke wijze inzicht geeft in de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan de conclusie dat appellant een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. De minister mocht dit ambtsbericht dan ook aan haar besluitvorming ten grondslag leggen. Appellant heeft nagelaten concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming, of aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht, naar voren te brengen. De stelling dat een lopende strafrechtelijke procedure eerst volledig moet zijn afgerond voordat van de juistheid van het ambtsbericht kan worden uitgegaan, wordt verworpen. De Afdeling ziet hiervoor geen grond en appellant heeft dit standpunt ook niet nader onderbouwd. De Afdeling past de verkorte motivering toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden. Het van rechtswege ontstane beroep tegen het gewijzigde besluit van 8 mei 2025 wordt eveneens ongegrond verklaard. Tot slot heeft appellant verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, nu hij sinds 2018 in onzekerheid verkeert over zijn verblijfsstatus; de afhandeling van dit verzoek is in de beschikbare tekst niet volledig weergegeven.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 14 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied