Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding
ECLI:NL:RVS:2026:960, Raad van State, 23-02-2026, BRS.26.000127
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen om de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Kern van de zaak
Een appellant heeft hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank Delft. Het hogerberoepschrift werd echter na afloop van de beroepstermijn (31 december 2025) ingediend. Appellant heeft geen redenen aangevoerd voor de termijnoverschrijding.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het hogerberoepschrift te laat is ingediend. Er zijn geen bijzondere omstandigheden (Bahaddar-omstandigheden) vastgesteld die aanleiding geven het hoger beroep toch inhoudelijk te behandelen.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaard procedurele niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding zonder inhoudelijke beoordeling; er worden geen nieuwe rechtsregels geformuleerd en de impact reikt niet verder dan de individuele zaak.
Belangrijkste punten
- 1De beroepstermijn eindigde op 31 december 2025; het hogerberoepschrift werd daarna ingediend.
- 2Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om redenen aan te voeren voor de termijnoverschrijding.
- 3De Bahaddar-uitzondering (ECLI:NL:RVS:2022:1664) is niet van toepassing geacht.
- 4Het hoger beroep is door een enkelvoudige kamer afgedaan.
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van beroepstermijnen in het bestuursrecht en de beperkte reikwijdte van de Bahaddar-uitzondering bij termijnoverschrijding. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Praktische impact
Appellant kan het geschil over de onderliggende zaak niet meer via hoger beroep aan de Raad van State voorleggen; de uitspraak van de rechtbank Delft staat daarmee vast.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenrechtelijke of bestuurlijke zaken (de context is onduidelijk door incomplete tekst) benadrukt dit de noodzaak voor rechtzoekenden om termijnen strikt te bewaken en tijdig processuele stukken in te dienen.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de hogerberoepstermijn. De onderliggende zaak betreft een geschil dat bij de rechtbank Delft werd behandeld; de exacte aard van de zaak is op basis van de beschikbare tekst niet volledig te achterhalen, maar de context wijst mogelijk op een vreemdelingenrechtelijke of bestuursrechtelijke kwestie. De beroepstermijn eindigde op 31 december 2025, maar het hogerberoepschrift werd pas daarna bij de Raad van State ontvangen. Appellant is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten over de termijnoverschrijding, maar heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt en heeft derhalve geen redenen aangevoerd waarom het hoger beroep toch inhoudelijk in behandeling zou moeten worden genomen. De Afdeling heeft vervolgens beoordeeld of er sprake is van zogeheten Bahaddar-omstandigheden, zoals omschreven in de richtinggevende uitspraak van 22 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1664). Deze uitzonderingscategorie biedt de mogelijkheid om ook bij termijnoverschrijding toch inhoudelijk te toetsen, met name wanneer fundamentele rechten in het geding zijn en een klemmende situatie het tijdig indienen heeft belet. De Afdeling oordeelde echter dat dergelijke bijzondere omstandigheden zich in dit geval niet voordoen. Nu aan de formele ontvankelijkheidsvereisten niet is voldaan en geen verschoonbare reden is aangedragen, heeft de enkelvoudige kamer het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Proceskosten worden niet vergoed. De uitspraak illustreert het belang van strikte naleving van proceduretijden in het bestuursprocesrecht en de beperkte ruimte voor rechterlijke coulance bij termijnoverschrijding.