Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond na arrest Adrar
ECLI:NL:RVS:2026:948, Raad van State, 19-02-2026, 202503950/1/V3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling ging in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank over de rechtmatigheid van zijn bewaring met het oog op uitzetting. De zaak hangt samen met het HvJ-arrest Adrar van 4 september 2025. De vreemdeling betoogde dat de bewaring onrechtmatig was.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Afdeling past de verkorte motivering toe omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, en de rechtsvraag over de gevolgen van het arrest Adrar reeds was beantwoord in de uitspraak van 12 februari 2026.
Impactscore
LaagDe uitspraak heeft weinig zelfstandige impact omdat zij slechts een reeds gevestigde lijn bevestigt via een verkorte motivering; de eigenlijke rechtsontwikkeling vond plaats in de uitspraak van 12 februari 2026.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: verkorte motivering omdat geen rechtsvragen van algemeen belang spelen
- 2De gevolgen van HvJ-arrest Adrar (ECLI:EU:C:2025:647) voor bewaring met het oog op uitzetting waren al beantwoord in RvS 12 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:329)
- 3De Afdeling zag ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
- 5Enkelvoudige kamer behandeling, wijst op routinematig karakter van de zaak
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de eerder door de Afdeling geformuleerde lijn over de gevolgen van het Adrar-arrest voor vreemdelingenbewaring, zonder nieuwe rechtsontwikkeling. De verkorte afdoening via artikel 91 lid 2 Vw 2000 onderstreept dat de rechtsvraag als uitgekristalliseerd wordt beschouwd.
Praktische impact
Voor de betrokken vreemdeling betekent dit dat de bewaring rechtmatig wordt geacht en het hoger beroep geen soelaas biedt. Advocaten in vergelijkbare zaken kunnen geen beroep meer doen op het Adrar-arrest als zelfstandige grond voor onrechtmatigheid van bewaring, nu de Afdeling die lijn heeft vastgelegd.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht is hiermee duidelijk dat de Adrar-jurisprudentie van het HvJ geen generieke grond oplevert om bestaande bewaringsmaatregelen aan te vechten buiten de reeds door de Afdeling gestelde kaders.
Samenvatting
In deze zaak ging een vreemdeling in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over de rechtmatigheid van zijn bewaring met het oog op uitzetting. In het hogerberoepschrift werd onder meer een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 in de zaak Adrar (ECLI:EU:C:2025:647), dat betrekking heeft op de Europese regels rond vreemdelingenbewaring. De centrale juridische vraag was of dit Unierechtelijke arrest meebrengt dat de opgelegde bewaring als onrechtmatig moet worden aangemerkt. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarbij heeft zij gebruik gemaakt van de verkorte motiveringsmogelijkheid van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De doorslaggevende reden is dat de rechtsvraag over de gevolgen van het Adrar-arrest voor bewaringsmaatregelen met het oog op uitzetting reeds was beantwoord in de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:329, rechtsoverwegingen 11 tot en met 11.2). Het hoger beroep bood geen aanleiding om in dit geval tot een ander oordeel te komen. Bovendien zag de Afdeling ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft daarmee een beperkte zelfstandige juridische betekenis: zij bevestigt een reeds uitgekristalliseerde lijn en is vooral relevant als signaal dat het Adrar-verweer buiten de door de Afdeling gestelde kaders geen kans van slagen heeft.