JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:943Laag8/100

Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS

ECLI:NL:RVS:2026:943, Raad van State, 20-02-2026, BRS.26.000646

Raad van StateUitspraak: 20 februari 2026Publicatie: 18 februari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.000646
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Verkorte Afdoening
Vreemdelingenwet
Artikel 91 Vw2000
Hoger Beroep Ongegrond
Raad Van State

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij brief van 18 november 2025 (verlengingsbesluit), gewijzigd door de brief van 6 januari 2026 (tweede verlengingsbesluit), heeft de minister appellant in kennis gesteld van haar besluit om de overdrachtstermijn met twaalf maanden te verlengen.

Kern van de zaak

Een appellant (vertegenwoordigd door mr. G. van Reemst) stelde hoger beroep in bij de Raad van State in een vreemdelingenrechtelijke zaak. De rechtbank had eerder een beslissing genomen die appellant aanvocht. De exacte feitelijke achtergrond van de vreemdelingenrechtelijke kwestie is niet volledig uit de uitspraak af te leiden.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen, en dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden (artikel 91 lid 2 Vw 2000).

8van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak is een routinematige bevestiging zonder inhoudelijke motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de feitelijke achtergrond is niet volledig kenbaar.

Belangrijkste punten

  • 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: verkorte afdoening zonder nadere motivering omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheidsvragen bevat
  • 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overweging 4.3) integraal over
  • 3Geen proceskostenveroordeling voor de minister
  • 4Enkelvoudige kamerbehandeling, wat duidt op een niet-complex of routinematig karakter van de zaak
  • 5De inhoudelijke gronden van het geschil zijn niet kenbaar uit de uitspraak vanwege de verkorte afdoeningswijze

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak heeft beperkte juridische impact aangezien artikel 91 lid 2 Vw 2000 expliciet wordt toegepast, waardoor geen inhoudelijke rechtsontwikkeling plaatsvindt. Het betreft een standaard bevestiging van een lagere uitspraak zonder nieuwe rechtsvragen.

Praktische impact

Voor appellant betekent dit dat het hoger beroep definitief is afgewezen en de eerdere beslissing van de rechtbank in stand blijft. Appellant ontvangt geen proceskostenvergoeding van de minister.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken wordt artikel 91 lid 2 Vw 2000 regelmatig toegepast als filtermechanisme, waardoor de Raad van State zijn werklast beheert en alleen inhoudelijk motiveert bij zaken met bredere rechtsbetekenis.

Samenvatting

In deze vreemdelingenrechtelijke zaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 20 februari 2026 het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard. Appellant, bijgestaan door mr. G. van Reemst te Utrecht, had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank. De precieze inhoudelijke achtergrond van de zaak — welke vreemdelingenrechtelijke beslissing van de minister ten grondslag lag aan het geschil — is uit de uitspraak zelf niet te reconstrueren, nu de Afdeling gebruik heeft gemaakt van de verkorte afdoeningsprocedure van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van die bepaling hoeft de Afdeling haar oordeel niet verder te motiveren wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelt vast dat die situatie hier aan de orde is en neemt de motivering van de rechtbank — specifiek overweging 4.3 — integraal over, zonder zelfstandig inhoudelijk te redeneren. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden aan appellant. De zaak is behandeld door een enkelvoudige kamer, wat duidt op het routinematige karakter ervan. De juridische impact van deze uitspraak is minimaal: zij draagt niet bij aan de ontwikkeling van het vreemdelingenrecht en schept geen precedent. Voor appellant is de uitkomst definitief negatief: het hoger beroep faalt en de eerder door de rechter bevestigde beslissing van de minister blijft ongewijzigd van kracht.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 14 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen