Hoger beroep bewaring ongegrond na arrest Adrar
ECLI:NL:RVS:2026:872, Raad van State, 18-02-2026, 202503354/1/V3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 25 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling ging in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank over de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting. De zaak draait om de gevolgen van het HvJ-arrest Adrar (4 september 2025) voor bewaringsmaatregelen. De minister van Justitie en Veiligheid is de wederpartij.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling oordeelt op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoording behoeven, omdat de rechtsvraag al was beantwoord in een eerdere uitspraak van 12 februari 2026.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige bevestiging van een reeds eerder uitgezette lijn en bevat geen nieuwe rechtsvragen of zelfstandige rechtsontwikkeling; de verkorte afdoening onderstreept het repetitieve karakter.
Belangrijkste punten
- 1Afdeling past de verkorte afdoening toe op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motivering vereist.
- 2De rechtsvraag over de gevolgen van het HvJ-arrest Adrar (ECLI:EU:C:2025:647) voor bewaringsmaatregelen was al beantwoord in RvS 12 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:329).
- 3De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5De uitspraak betreft een enkelvoudige kamer, wat past bij de routinematige afdoening.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de lijn die de Afdeling heeft uitgezet in ECLI:NL:RVS:2026:329 over de toepassing van het arrest Adrar op bewaringsmaatregelen, zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden. De verkorte afdoening ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 wordt consequent toegepast bij herhaling van reeds beantwoorde vragen.
Praktische impact
Voor de vreemdeling betekent dit dat de bewaring rechtmatig blijft en uitzetting kan worden voortgezet. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend, zodat ook financieel geen compensatie volgt.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken met bewaring biedt het arrest Adrar geen zelfstandige grond voor onrechtmatigheid indien de Afdeling de gevolgen daarvan al heeft uitgewerkt in eerdere rechtspraak.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 februari 2026 betreft een hoger beroep in een vreemdelingenzaak over de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring met het oog op uitzetting. De vreemdeling beoogde via het hoger beroep de bewaring alsnog onrechtmatig te laten verklaren, waarbij een beroep werd gedaan op het arrest van het Hof van Justitie van 4 september 2025 in de zaak Adrar (ECLI:EU:C:2025:647). De centrale rechtsvraag betrof de gevolgen van het arrest Adrar voor lopende bewaringsmaatregelen. De Afdeling stelt echter vast dat deze rechtsvraag reeds is beantwoord in haar uitspraak van 12 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:329, overwegingen 11 tot en met 11.2). Nu het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen bevat die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, past de Afdeling de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000. Dit betekent dat het oordeel niet verder hoeft te worden gemotiveerd. Darnaast ziet de Afdeling ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft een beperkte zelfstandige juridische betekenis: zij illustreert de consequente toepassing van de verkorte afdoening bij reeds beantwoorde rechtsvragen in het vreemdelingenrecht en bevestigt dat het arrest Adrar in de door de Afdeling uitgezette lijn geen aanleiding geeft voor een ander oordeel over de rechtmatigheid van bewaringsmaatregelen.