Verblijfsrecht geweigerd wegens niet aangetoonde identiteit
ECLI:NL:RVS:2026:866, Raad van State, 18-02-2026, BRS.25.002241
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 oktober 2023 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) heeft hoger beroep ingesteld tegen de weigering van de minister om haar een afgeleid verblijfsrecht te verlenen op grond van artikel 20 VWEU. Dit recht was gebaseerd op haar dochter die EU-burger is. De minister en de rechtbank stelden dat appellant haar identiteit en nationaliteit niet aannemelijk had gemaakt.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond; de Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank. De doorslaggevende reden is dat appellant onvoldoende heeft gedaan om haar identiteit en nationaliteit aannemelijk te maken, hetgeen een vereiste is voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande jurisprudentie (RvS 2024:2265) toe op een individueel geval zonder nieuwe rechtsvragen te beantwoorden; de afdoening via artikel 91 lid 2 Vw bevestigt het routinematige karakter.
Belangrijkste punten
- 1Voor een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU moet een vreemdeling identiteit en nationaliteit aannemelijk maken, maar dit hoeft niet per se met een paspoort.
- 2Uit RvS 30 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2265) volgt dat identiteitsonduidelijkheid niet automatisch doorslaggevend is, maar wel doorslaggevend mág worden geacht na alle relevante omstandigheden.
- 3Appellant heeft niet gesteld dat zij haar identiteit wél aannemelijk heeft gemaakt of alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar verwacht mocht worden.
- 4De rechtbank heeft geen onjuiste bewijsmaatstaf gehanteerd: zij heeft niet geëist dat appellant een paspoort overlegt, tenzij zij in bewijsnood verkeert.
- 5Het hoger beroep is voor het overige afgedaan met toepassing van artikel 91 lid 2 Vw (vereenvoudigde afdoening), omdat geen rechtseenheidsvragen spelen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepasselijke bewijsmaatstaf voor artikel 20 VWEU-verblijfsrechten zoals geformuleerd in RvS 2024:2265: identiteitsvaststelling is vereist maar kan met alle middelen, waarbij de minister na afweging van alle omstandigheden de onduidelijkheid doorslaggevend mag achten. Er wordt geen nieuw recht gevormd.
Praktische impact
Vreemdelingen die een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU claimen, moeten actief en aantoonbaar inspanningen leveren om hun identiteit en nationaliteit te onderbouwen; enkel aanvoeren dat een paspoort niet vereist is, volstaat niet.
Onderwerp-impact
Voor vreemdelingenrechtpraktijk verduidelijkt de uitspraak dat de bewijslast bij de vreemdeling ligt en dat passief stilzitten in de bewijslevering fataal is voor het verblijfsrecht, ook wanneer documenten ontbreken.
Samenvatting
In deze zaak heeft de Raad van State op 18 februari 2026 uitspraak gedaan in het hoger beroep van een vreemdeling die een afgeleid verblijfsrecht claimde op grond van artikel 20 VWEU, vanwege haar dochter met de nationaliteit van een EU-lidstaat. De minister had het verblijfsrecht geweigerd omdat appellant haar eigen identiteit en nationaliteit niet aannemelijk had gemaakt. De rechtbank bevestigde dit standpunt, waarna appellant in hoger beroep aanvoerde dat de rechtbank een onjuiste bewijsmaatstaf had gehanteerd door impliciet te eisen dat zij haar identiteit met een paspoort aantoonde. De Raad van State verwerpt dit betoog. Onder verwijzing naar zijn eerdere uitspraak van 30 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2265) stelt de Afdeling voorop dat een vreemdeling identiteit en nationaliteit met alle middelen aannemelijk mag maken en dat onduidelijkheid hierover niet automatisch doorslaggevend is. De rechtbank heeft echter geen onjuiste maatstaf aangelegd: zij heeft vastgesteld dat de minister, na weging van alle relevante omstandigheden, de gebleven onduidelijkheid over de identiteit en nationaliteit van appellant terecht doorslaggevend heeft mogen achten. Appellant heeft bovendien nagelaten te stellen dat zij haar identiteit wél aannemelijk heeft gemaakt of dat zij alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar kon worden verwacht om dit te doen. De overige grieven worden afgedaan met toepassing van artikel 91 lid 2 Vreemdelingenwet 2000, omdat zij geen vragen opwerpen die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak voegt geen nieuw recht toe, maar onderstreept dat de bewijslast voor identiteitsvaststelling bij de vreemdeling rust en dat een louter passieve houding in de bewijslevering het verblijfsrecht fataal kan worden.