JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:856Laag12/100

Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard

ECLI:NL:RVS:2026:856, Raad van State, 18-02-2026, BRS.26.000588

Raad van StateUitspraak: 18 februari 2026Publicatie: 16 februari 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.26.000588
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vreemdelingenbewaring
Verkorte Afdoening
Rechtseenheid
Artikel 91 Vw2000
Hogerberoep

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 19 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

Kern van de zaak

Een vreemdeling ging in hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank die zijn bewaring rechtmatig achtte. De advocaat stelde hoger beroep in maar bestreed niet alle zelfstandige oordelen van de rechtbank. De zaak betreft de rechtmatigheid van vreemdelingenbewaring.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep is ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat het hogerberoepschrift geen rechtseenheidsvragen bevat (artikel 91 lid 2 Vw 2000) én dat een zelfstandig dragende grond van de rechtbank niet met een grief is bestreden.

12van 100

Impactscore

Laag

Het betreft een routinematige toepassing van de vaste verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is casuïstisch en stelt geen nieuwe rechtsregels.

Belangrijkste punten

  • 1Artikel 91 lid 2 Vw 2000 toegepast: geen motiveringsplicht bij ontbreken van rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen
  • 2Een zelfstandig oordeel van de rechtbank is niet aangevochten met een grief, waardoor de uitspraak al op die grond stand houdt
  • 3De Afdeling heeft ook ambtshalve geen reden gezien om de bewaring onrechtmatig te achten
  • 4Behandeling door enkelvoudige kamer conform de verkorte afdoeningsprocedure
  • 5Geen proceskostenveroordeling voor de minister

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en onderstreept dat alle zelfstandige dragende gronden van een rechtbankuitspraak moeten worden bestreden, anders falen grieven wegens ontbreken van belang.

Praktische impact

Voor de vreemdeling betekent dit dat de bewaring rechtmatig blijft en hij geen proceskostenvergoeding ontvangt. De zaak illustreert het belang van volledige griefformulering in vreemdelingenrechtelijke hogerberoepsprocedures.

Onderwerp-impact

In vreemdelingenzaken benadrukt deze uitspraak opnieuw dat de verkorte motivering bij ontbrekende rechtseenheidsvragen een efficiënte afdoening mogelijk maakt, zonder inhoudelijke herbeoordeling van de bewaring.

Samenvatting

In deze zaak stelde een vreemdeling, bijgestaan door zijn advocaat mr. J.E. Groenenberg, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De rechtbank had de vreemdelingenbewaring rechtmatig geacht. In hoger beroep voerde de vreemdeling grieven aan, maar liet daarbij na om een zelfstandig en dragend oordeel van de rechtbank aan te vechten. Dit bleek fataal voor het hoger beroep. De Afdeling paste de verkorte afdoeningsprocedure toe op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel bepaalt dat de Afdeling haar uitspraak niet verder hoeft te motiveren indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. Aan die voorwaarde was in deze zaak voldaan. Bovendien constateerde de Afdeling dat één zelfstandig oordeel van de rechtbank niet met een grief was bestreden, terwijl dat oordeel de uitspraak van de rechtbank zelfstandig kon dragen. Daarmee kon het hoger beroep reeds op die grond niet slagen. De Afdeling zag ook ambtshalve geen aanleiding om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak illustreert dat in vreemdelingenrechtelijke procedures alle zelfstandig dragende gronden van een rechterlijk oordeel met een grief moeten worden bestreden, en dat de verkorte motiveringsmogelijkheid van artikel 91 lid 2 Vw 2000 regelmatig wordt benut voor efficiënte afdoening van kansloze hogerberoepen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 14 juli 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:CBB:2026:324, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 23/1898

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026OverheidHandhaving
22/100Bekijk
ECLI:NL:CBB:2026:323Middel
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht

ECLI:NL:CBB:2026:323, College van Beroep voor het bedrijfsleven, 14-07-2026, 25/232

College van Beroep voor het bedrijfsleven14 jul 2026ZorgHandhaving
38/100Bekijk
ECLI:NL:HR:2026:1275Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:HR:2026:1275, Hoge Raad, 10-07-2026, 26/01234

Hoge Raad10 jul 2026ArbeidsrelatiesOverheid
28/100Bekijk
ECLI:NL:RBDHA:2026:19357Laag
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:19357, Rechtbank Den Haag, 10-07-2026, NL25.56506

Rechtbank Den Haag10 jul 2026OverheidAansprakelijkheid
28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen