Hoger beroep vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:832, Raad van State, 19-02-2026, BRS.26.000476
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 8 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.
Kern van de zaak
Een vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn bewaring. De bewaring was door de rechtbank rechtmatig bevonden en de vreemdeling betwistte dit oordeel in hoger beroep.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen, en ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een routinematige bevestiging van een rechtbankoordeel in een individuele bewaringszaak zonder nieuwe rechtsvragen of bredere betekenis voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Belangrijkste punten
- 1De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overweging 4.1) volledig over zonder verdere zelfstandige motivering.
- 2Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motivering vereist omdat geen rechtseenheids-, rechtsontwikkelings- of rechtsbeschermingsvragen spelen.
- 3Ambtshalve toetsing door de Afdeling levert geen reden op om de bewaring onrechtmatig te achten.
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5Uitspraak gedaan door enkelvoudige kamer, wat wijst op een standaardprocedure zonder bijzondere rechtsvragen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande praktijk van verkorte motivering in bewaringszaken op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000, zonder nieuwe rechtsontwikkeling. Er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord.
Praktische impact
De vreemdeling blijft in bewaring; het hoger beroep heeft geen schorsende werking opgeleverd en de bewaring wordt als rechtmatig beschouwd. De minister draagt geen proceskosten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken over bewaring bevestigt de Afdeling opnieuw de toepassing van de verkorte afdoeningsroute, wat de praktijk van snelle beslechting van bewaringszaken ondersteunt.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, bijgestaan door mr. S.C. van Paridon, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over zijn vreemdelingenbewaring. De rechtbank had de bewaring rechtmatig geoordeeld, en de vreemdeling betwistte dit oordeel in hoger beroep. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Daartoe overweegt de Afdeling dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen; de motivering van de rechtbank onder overweging 4.1 wordt integraal overgenomen. Een verdere zelfstandige motivering acht de Afdeling niet noodzakelijk op grond van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000, nu het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord dienen te worden. Daarnaast heeft de Afdeling ambtshalve beoordeeld of er reden is de bewaring onrechtmatig te achten. Ook deze toetsing levert geen grond op voor onrechtmatigheid. De minister wordt niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer, hetgeen kenmerkend is voor zaken waarbij geen bijzondere of complexe rechtsvragen spelen. De toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 bevestigt de standaardwerkwijze van de Afdeling bij bewaringszaken zonder principiële dimensie. De uitkomst heeft uitsluitend betekenis voor de betrokken vreemdeling en voegt geen nieuwe inzichten toe aan het vreemdelingenrecht.