Minister hoeft aanvraag medisch verblijf niet alsnog te behandelen
ECLI:NL:RVS:2026:59, Raad van State, 08-01-2026, BRS.25.000704
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 27 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Kern van de zaak
Een Nigeriaanse vreemdeling diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning voor medische behandeling, maar leverde de vereiste medische gegevens van zijn huisarts pas in de bezwaarfase aan. De minister nam de aanvraag niet in behandeling wegens het ontbreken van deze gegevens. De rechtbank oordeelde dat de minister de aanvraag alsnog had moeten behandelen, waarna de minister in hoger beroep ging bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van de minister is gegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep van betrokkene is ongegrond verklaard. De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, omdat de minister in redelijkheid kon volharden in haar standpunt de aanvraag niet alsnog in behandeling te nemen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak bevestigt bestaande jurisprudentie van de Raad van State over de opportuniteitsbeoordeling bij buiten behandeling gestelde aanvragen en heeft daarmee een beperkt, maar niet verwaarloosbaar precedentwerend effect voor vergelijkbare vreemdelingenzaken.
Belangrijkste punten
- 1De minister heeft de aanvraag op grond van artikel 4:5 lid 1 onder c Awb buiten behandeling gesteld wegens ontbrekende medische gegevens.
- 2Betrokkene heeft de ontbrekende gegevens niet tijdig in de aanvraagfase aangeleverd, maar wel in de bezwaarfase.
- 3Bij bestuurlijke heroverweging in bezwaar dient de minister te beoordelen of het opportuun is de aanvraag alsnog in behandeling te nemen, maar beschikt daarbij over beleidsvrijheid.
- 4De Raad van State volgt eerdere jurisprudentie (o.a. ECLI:NL:RVS:2008:BC6620 en ECLI:NL:RVS:2022:459) over de reikwijdte van de bestuurlijke heroverweging bij buiten behandeling gestelde aanvragen.
- 5De rechtbank Den Haag (zp Zwolle) werd teruggefloten: haar oordeel dat de minister niet aannemelijk had gemaakt dat het belang van betrokkene beperkt was, werd niet gevolgd.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt en verduidelijkt de grenzen van de rechterlijke toetsing bij de beoordeling of een bestuursorgaan in bezwaar een buiten behandeling gestelde aanvraag alsnog in behandeling moet nemen. De minister behoudt een aanzienlijke beoordelingsruimte bij de opportuniteitsbeoordeling in de bezwaarfase.
Praktische impact
Voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning aanvragen op medische gronden, benadrukt deze uitspraak het belang van het tijdig en volledig aanleveren van vereiste medische documenten in de aanvraagfase; het later aanvullen in bezwaar verplicht de minister niet om de aanvraag alsnog te behandelen.
Onderwerp-impact
In het vreemdelingenrecht rondom verblijf op medische gronden wordt bevestigd dat de minister streng mag vasthouden aan procedurele vereisten, ook wanneer de ontbrekende stukken later in de procedure worden overgelegd.
Samenvatting
Deze zaak betreft een Nigeriaanse vreemdeling (geboren 1994) die op 21 maart 2024 een aanvraag indiende voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van medische behandeling. De minister had hem eerder op grond van artikel 64 Vw 2000 uitstel van vertrek verleend. Omdat betrokkene de vereiste medische gegevens van zijn huisarts niet tijdig had overgelegd, stelde de minister de aanvraag op grond van artikel 4:5 lid 1 onder c Awb buiten behandeling. Hoewel betrokkene de ontbrekende gegevens wél in de bezwaarfase aanleverde, handhaafde de minister het besluit om de aanvraag niet te behandelen. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Zwolle) oordeelde dat de minister in het bezwaarbesluit van 11 november 2024 ook de opportuniteit had moeten beoordelen, en dat zij in redelijkheid niet had kunnen vasthouden aan het niet in behandeling nemen, omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat het belang van betrokkene beperkt was en dat nieuwe behandeling niet meer tijd zou kosten dan de beoordeling van een geheel nieuwe aanvraag. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond en het incidenteel hoger beroep van betrokkene ongegrond. Daarmee vernietigde zij de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het oorspronkelijke beroep ongegrond. De Afdeling sloot aan bij haar vaste jurisprudentie — onder meer de uitspraken van 26 februari 2008, 12 juli 2017 en 14 februari 2022 — over de reikwijdte van de bestuurlijke heroverweging bij buiten behandeling gestelde aanvragen. De minister beschikt bij de opportuniteitsbeoordeling over een ruime beoordelingsmarge en hoeft de aanvraag niet automatisch alsnog in behandeling te nemen enkel omdat ontbrekende stukken later worden aangeleverd. De uitspraak onderstreept dat vreemdelingen gehouden zijn om aanvragen direct volledig in te dienen.