Beroep tegen weigering bestemmingsplan woningbouw ongegrond
ECLI:NL:RVS:2026:5806, Raad van State, 30-09-2026, 202501971/1/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)In het besluit van 24 april 2024 heeft de raad van de gemeente Westerwolde de aanvraag van [appellant] om een bestemmingsplan vast te stellen voor de bouw van één woning aan de [locatie], in Blijham (het perceel), afgewezen. [appellant] is eigenaar van het perceel en heeft de raad verzocht om een bestemmingsplan vast te stellen om op dit perceel de bouw van één woning mogelijk te maken. Op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" heeft het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met een gesloten landschap". Het bestemmingsplan is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Met ingang van 6 juli 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan "Blijham, [locatie]" zes weken ter inzage gelegen. Over dit ontwerpbestemmingsplan zijn vier zienswijzen ingediend. De raad heeft vervolgens op 24 april 2024 besloten om het bestemmingsplan niet vast te stellen. [appellant] is het niet eens met dit besluit. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte heeft besloten om het plan niet vast te stellen, omdat dit voldoet aan alle relevante wettelijke- en beleidskaders en getuigt van een goede ruimtelijke ordening. [appellant] voert daartoe aan dat het plan in overeenstemming is met de Omgevingsverordening en de Woonvisie omtrent het bouwen van woningen in het buitengebied.
Kern van de zaak
Een eigenaar van een perceel in het buitengebied bij Blijham verzocht de gemeenteraad een bestemmingsplan vast te stellen om één woning te kunnen bouwen op zijn perceel met agrarische bestemming. De raad weigerde dit op basis van zeven weigeringsgronden. De eigenaar ging in beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het beroep ongegrond verklaard. De raad had beleidsruimte bij de afweging van belangen en de weigering het bestemmingsplan vast te stellen bleek in overeenstemming met het recht; de nadelige gevolgen voor appellant wogen niet op tegen de doelen die met de weigering worden gediend.
Impactscore
LaagHet betreft een enkelvoudige kameruitspraak over een individueel geval zonder nieuwe rechtsvragen; de uitkomst is een bevestiging van bestaande jurisprudentie over de beoordelingsruimte van gemeenteraden en het overgangsrecht van de Omgevingswet.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht Omgevingswet: omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend (3 maart 2022), blijft de Wet ruimtelijke ordening van toepassing
- 2De raad heeft bij vaststelling van een bestemmingsplan beleidsruimte; de Afdeling toetst slechts of het besluit in overeenstemming is met het recht
- 3De raad heeft zeven weigeringsgronden ten grondslag gelegd aan het besluit om het plan niet vast te stellen
- 4Het perceel heeft de bestemming 'Agrarisch gebied met een gesloten landschap', wat woningbouw in beginsel niet toestaat
- 5Er zijn geen proceskosten vergoed, wat wijst op een volledig afwijzing van het beroep
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht onder de Invoeringswet Omgevingswet en onderstreept de ruime beleidsruimte van gemeenteraden bij het al dan niet vaststellen van bestemmingsplannen. De rechterlijke toetsing blijft marginaal.
Praktische impact
De appellant kan op zijn perceel geen woning bouwen op basis van dit bestemmingsplan; hij zal een nieuwe procedure moeten doorlopen, eventueel onder de Omgevingswet, of een andere route moeten bewandelen om zijn bouwwens te realiseren.
Onderwerp-impact
Voor initiatiefnemers die vóór 1 januari 2024 een aanvraag voor een bestemmingsplan hebben ingediend, geldt nog het oude WRO-regime; dit onderstreept het belang van het kennen van het toepasselijke overgangsrecht bij ruimtelijke ordeningsprocedures in het buitengebied.
Samenvatting
Deze zaak betreft een eigenaar van een perceel in het buitengebied nabij Blijham (gemeente Westerwolde) die de gemeenteraad verzocht een bestemmingsplan vast te stellen om op zijn perceel één woning te kunnen bouwen. Het perceel had op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied 1998' de bestemming 'Agrarisch gebied met een gesloten landschap', waarbinnen woningbouw niet was toegestaan. De aanvraag werd ingediend op 3 maart 2022. Na een inzageperiode van het ontwerpbestemmingsplan en vier ingediende zienswijzen, besloot de raad op 24 april 2024 het bestemmingsplan niet vast te stellen, op grond van zeven weigeringsgronden. De appellant bestreed dit besluit bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Een eerste relevante rechtsvraag betrof het toepasselijke recht: omdat de aanvraag dateert van vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, bepaalt artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet dat het oude recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, van toepassing blijft totdat het besluit onherroepelijk is. De Afdeling hanteerde als toetsingskader dat de gemeenteraad bij de vaststelling van een bestemmingsplan beschikt over beleidsruimte en een eigen belangenafweging mag maken. De rechter maakt die afweging niet over, maar beoordeelt slechts of het besluit in overeenstemming is met het recht en of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de nagestreefde doelen. De Afdeling verklaarde het beroep ongegrond. De weigering van de raad werd rechtmatig geacht; de zeven weigeringsgronden konden de beslissing dragen en de appellant slaagde er niet in aan te tonen dat het besluit onrechtmatig was. Er werden geen proceskosten vergoed. De uitspraak heeft beperkte precedentwerking maar illustreert opnieuw de terughoudende toetsing van rechterlijke instanties bij ruimtelijke ordeningsbeslissingen en de praktische werking van het overgangsrecht onder de Omgevingswet.