Raad van State wijst schadevergoeding toe aan OMUS wegens trage procedure
ECLI:NL:RVS:2026:5777, Raad van State, 30-09-2026, 202207221/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 22 februari 2021 heeft de burgemeester van Breda de op 26 oktober 2015 aan Sumo Breda 2 B.V. verleende Drank- en horecawetvergunning ingetrokken. De burgemeester heeft op 26 oktober 2015 aan OMUS een Drank- en horecawetvergunning verleend voor de exploitatie van het restaurant Sumo Oriental Japanese & Asian dining in het pand aan de Nieuwe Ginnekenstraat 7 in Breda. Deze vergunning heeft met ingang van 1 juli 2021 te gelden als een vergunning op grond van de Alcoholwet. Op 5 juli 2018 hebben [persoon A] en [persoon B] hun aandelen in OMUS overgedragen aan hun medeaandeelhouders en een medewerker van OMUS. De burgemeester heeft op 9 juli 2018 aan OMUS laten weten dat hij een onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) gaat starten. De aanleiding voor dit onderzoek is een FIOD-inval bij OMUS in 2014 en mediaberichten over Bibob-onderzoeken naar Sumo-restaurants in andere gemeenten in 2018. De burgemeester heeft op 10 mei 2019 het Landelijk Bureau Bibob (het LBB) om advies gevraagd over een mogelijk zakelijk samenwerkingsverband tussen OMUS enerzijds en [persoon A], [persoon B] en het Sumo-concern anderzijds.
Kern van de zaak
OMUS B.V., exploitant van restaurant Sumo in Breda, vocht een Bibob-onderzoek en de dreigende intrekking van haar Drank- en horecawetvergunning aan. De burgemeester startte in 2018 een Bibob-onderzoek naar aanleiding van een FIOD-inval en mediaberichten over Sumo-restaurants. Het LBB concludeerde in 2019 tot ernstig gevaar wegens een zakelijk samenwerkingsverband met personen A, B en het Sumo-concern.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is gegrond verklaard; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van gronden. De Afdeling bestuursrechtspraak kent OMUS B.V. een schadevergoeding van € 2.000,00 toe wegens overschrijding van de redelijke termijn, te betalen door de Staat der Nederlanden.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen vaste rechtspraak over redelijke termijn en schadevergoeding en bevat geen nieuwe rechtsnormen; de praktische betekenis is beperkt tot de specifieke zaak en de toegewezen schadevergoeding is relatief gering.
Belangrijkste punten
- 1OMUS stond volgens het LBB in een zakelijk samenwerkingsverband met personen A, B en het Sumo-concern in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder c, Wet Bibob.
- 2Het LBB concludeerde tot ernstig gevaar ex artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a en b, Wet Bibob (witwassen én plegen van strafbare feiten).
- 3De Drank- en horecawetvergunning is met ingang van 1 juli 2021 van rechtswege omgezet naar een Alcoholwetvergunning.
- 4De Raad van State stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden en veroordeelt de Staat tot betaling van € 2.000,00 schadevergoeding aan OMUS.
- 5Het onderzoek wordt heropend onder zaaknummer 202602832/1/A2 voor een nadere uitspraak over de gevorderde (hogere) schadevergoeding.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat overschrijding van de redelijke termijn in Bibob-procedures leidt tot schadevergoedingsplicht van de Staat, en dat de Afdeling bereid is het onderzoek te heropenen voor een nadere beoordeling van de omvang van de schade. De gronden van de rechtbank worden gecorrigeerd zonder dat de uitkomst wijzigt.
Praktische impact
OMUS ontvangt € 2.000,00 compensatie voor de trage behandeling van haar zaak, maar de Bibob-kwestie en de intrekking van de vergunning blijven inhoudelijk in stand. Een vervolgprocedure over de volledige schadevergoeding is nog aanhangig.
Onderwerp-impact
Voor horecaondernemers die met Bibob-onderzoeken worden geconfronteerd, onderstreept deze uitspraak dat langdurige procedures een zelfstandige aanspraak op schadevergoeding wegens termijnoverschrijding kunnen opleveren, ook als de inhoudelijke Bibob-beslissing in stand blijft.
Samenvatting
OMUS B.V., exploitant van het Bredase Sumo-restaurant, kreeg in 2019 te maken met negatieve Bibob-adviezen van het Landelijk Bureau Bibob. Het LBB concludeerde dat er ernstig gevaar bestond dat de Drank- en horecawetvergunning zou worden gebruikt voor het benutten van crimineel verkregen voordelen en het plegen van strafbare feiten. De grondslag hiervoor was een verondersteld zakelijk samenwerkingsverband tussen OMUS en de voormalige aandeelhouders, persoon A en persoon B, en het bredere Sumo-concern. De burgemeester kondigt in november 2019 zijn voornemen aan om de vergunning in te trekken. OMUS tekende bezwaar en later beroep aan. De rechtbank deed uitspraak, waarna beide partijen in hoger beroep gingen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De centrale juridische vragen betroffen de houdbaarheid van de Bibob-conclusies en de duur van de gerechtelijke procedure. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, maar bevestigt de uitspraak van de rechtbank met een verbetering van de gronden. De inhoudelijke Bibob-beslissing blijft daarmee in stand. Wel stelt de Afdeling vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Op grond hiervan wordt de Staat der Nederlanden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 2.000,00 aan OMUS. Omdat OMUS mogelijk aanspraak maakt op een hogere schadevergoeding, wordt het onderzoek heropend onder een nieuw zaaknummer ter voorbereiding van een nadere uitspraak over dit punt. De uitspraak illustreert dat zelfs wanneer een Bibob-beslissing inhoudelijk standhoudt, een overschrijding van de redelijke termijn een zelfstandige grond voor schadevergoeding oplevert. Voor horecaondernemers in Bibob-trajecten is dit een relevant, maar in omvang bescheiden rechtsmiddel.