Bestemmingsplan Emmen vernietigd wegens onvoldoende waterhuishoudkundige borging
ECLI:NL:RVS:2026:5774, Raad van State, 30-09-2026, 202500369/3/R3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij uitspraak, deels tussenuitspraak, van 22 april 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:2282) heeft de Afdeling de raad van de gemeente Emmen opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak het daarin genoemde gebrek in het op 24 oktober 2024 vastgestelde bestemmingsplan "Emmen, Delftlanden 3.0" te herstellen. In de uitspraak van 22 april 2026 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak, alsnog deugdelijk te motiveren dat de waterbergingscapaciteit in het plangebied toereikend is om de toename aan hemelwater op te vangen. Als dit nodig is met het oog op een goede ruimtelijke ordening, moet de raad alsnog een regel in het plan opnemen waarin de aansluiting van de compartimentskering op maaiveldhoogte wordt verzekerd.
Kern van de zaak
Appellanten verzetten zich tegen het bestemmingsplan 'Emmen, Delftlanden 3.0' (vastgesteld 24 oktober 2024) omdat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse van hun percelen. De zaak betreft met name de waterbergingscapaciteit en het al dan niet geborgd sluiten van een compartimentskering.
Beslissing van de rechter
De beroepen zijn gegrond verklaard en het besluit van 24 oktober 2024 is vernietigd voor zover daarin het sluiten van de compartimentskering niet was geborgd. De doorslaggevende reden is strijd met artikel 3:2 Awb wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering of planregel die de waterhuishoudkundige situatie adequaat borgt.
Impactscore
MiddelDe uitspraak is relevant voor de lokale woningbouwontwikkeling in Emmen en bevestigt bestaande rechtspraak over waterhuishoudkundige motiveringsplichten, maar stelt geen nieuwe rechtsnormen en heeft beperkte landelijke precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Op de procedure is het oude recht onder de Wet ruimtelijke ordening (vóór 1 januari 2024) van toepassing.
- 2De raad kon zich zonder nader onderzoek, motivering of planborging niet op het standpunt stellen dat het plan de waterhuishoudkundige situatie niet onaanvaardbaar verslechtert.
- 3In de tussenuitspraak van 22 april 2026 werd de raad opgedragen binnen 16 weken deugdelijk te motiveren dat de waterbergingscapaciteit toereikend is.
- 4De raad heeft bij herstelbesluit (25 juni 2026) een voorwaardelijke verplichting in artikel 27.2 planregels opgenomen die borgt dat de compartimentskering gesloten is vóór ingebruikname van de nieuwe woninglocaties.
- 5De beroepen tegen zowel het oorspronkelijke besluit als het herstelbesluit worden in de einduitspraak beoordeeld op grond van artikel 6:19 Awb.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat bij bestemmingsplannen met waterhuishoudkundige risico's een concrete planregel of deugdelijke motivering vereist is; een algemeen standpunt zonder borging volstaat niet onder artikel 3:2 Awb. De toepassing van de bestuurlijke lus via een tussenuitspraak en herstelbesluit illustreert de gangbare werkwijze bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
Praktische impact
Appellanten hebben de vernietiging van het plan bereikt voor het deel dat hun waterhuishoudkundige belangen raakt; na het herstelbesluit met de voorwaardelijke verplichting in artikel 27.2 is de kering alsnog geborgd, zodat de planontwikkeling in Delftlanden 3.0 onder voorwaarden doorgang kan vinden.
Onderwerp-impact
Voor gemeenten die bestemmingsplannen vaststellen in gebieden met waterbergingsopgaven geldt dat compartimentskeringen en vergelijkbare watermaatregelen expliciet in planregels moeten worden verankerd als voorwaardelijke verplichting, wil het plan standhouden bij de Afdeling.
Samenvatting
In deze zaak staat het bestemmingsplan 'Emmen, Delftlanden 3.0' centraal, vastgesteld door de gemeenteraad van Emmen op 24 oktober 2024. Appellanten, eigenaren van percelen in het plangebied, stelden dat de raad onvoldoende had onderbouwd dat het plan niet zou leiden tot een onaanvaardbare verslechtering van de waterhuishoudkundige situatie, in het bijzonder wat betreft de waterbergingscapaciteit en het functioneren van een compartimentskering. Op de procedure is nog het oude recht van toepassing, waaronder de Wet ruimtelijke ordening zoals die gold vóór 1 januari 2024. In een tussenuitspraak van 22 april 2026 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat de raad zich, bij gebreke van nader onderzoek, deugdelijke motivering of een concrete planregel, niet op het standpunt had kunnen stellen dat de waterhuishouding aanvaardbaar was. De raad werd opgedragen binnen zestien weken alsnog de waterbergingscapaciteit toereikend te motiveren en zo nodig een planregel op te nemen die het sluiten van de compartimentskering verzekert. Ter uitvoering van deze opdracht nam de raad op 25 juni 2026 een herstelbesluit waarbij artikel 27.2 van de planregels een voorwaardelijke verplichting introduceerde: de compartimentskering moet gesloten zijn vóór ingebruikname van de gronden en bouwwerken op de nieuwe woninglocaties. In de einduitspraak verklaart de Afdeling de beroepen tegen het oorspronkelijke besluit gegrond en vernietigt zij dat besluit voor zover de borging van het sluiten van de compartimentskering daarin ontbrak. Tevens worden de beroepen tegen het herstelbesluit op grond van artikel 6:19 Awb beoordeeld. De uitspraak onderstreept dat gemeenten bij plannen met waterhuishoudkundige risico's een expliciete planregel moeten opnemen en dat een niet-onderbouwd standpunt in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel van artikel 3:2 Awb.