Nederlanderschap terrorist ingetrokken, inreisverbod rechtmatig
ECLI:NL:RVS:2026:5733, Raad van State, 30-09-2026, 202502275/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid betrokkene opgedragen om de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. In juli 2013 is betrokkene via Turkije uitgereisd naar Syrië. Daar heeft hij zich in de periode tot en met 31 december 2015 als strijder aangesloten bij de jihadistische terroristische organisaties Ahrar al-Sham en later Jund al-Aqsa. De staatssecretaris (nu: de minister van Justitie en Veiligheid) heeft het Nederlanderschap van betrokkene ingetrokken krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, omdat hij onherroepelijk is veroordeeld wegens terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht. Die minister verwijst daarvoor naar het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2420. De rechtbank heeft betrokkene voor het medeplegen van het deelnemen aan een terroristische organisatie, meermalen gepleegd, en het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van terroristische aanslagen, veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden.
Kern van de zaak
Een in Nederland geboren man met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit reisde in 2013 uit naar Syrië en sloot zich aan bij terroristische organisaties Ahrar al-Sham en Jund al-Aqsa. Na onherroepelijke veroordeling wegens terroristische misdrijven trok de minister zijn Nederlanderschap in en vaardigde een inreisverbod uit. Betrokkene vocht het terugkeerbesluit en het inreisverbod aan bij de rechter.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en het beroep van betrokkene ongegrond, waarmee het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand blijven. Doorslaggevend is de onherroepelijke veroordeling wegens ernstige terroristische misdrijven en het daarmee gepaard gaande ernstig schaden van de essentiële belangen van Nederland.
Impactscore
MiddelDe uitspraak past in een vaste lijn van de Afdeling over Syriëgangers en voegt beperkt nieuwe rechtsontwikkeling toe, maar heeft significante persoonlijke gevolgen en bevestigt de reikwijdte van terugkeerbesluiten bij nationaliteitsintrekking wegens terrorisme.
Belangrijkste punten
- 1Betrokkene verkreeg in 1996 het Nederlanderschap maar behield ook de Marokkaanse nationaliteit, waardoor intrekking van het Nederlanderschap hem niet staatloos maakt.
- 2Onherroepelijke veroordeling door het gerechtshof Den Haag (2021) voor deelneming aan terroristische organisatie en voorbereidingshandelingen voor aanslagen vormt de basis voor de intrekking krachtens artikel 14 lid 2 sub b RWN.
- 3De minister heeft naast de intrekking van het Nederlanderschap ook een terugkeerbesluit en inreisverbod uitgevaardigd, die het onderwerp vormen van deze procedure.
- 4De rechtbank Den Haag had het besluit eerder vernietigd, maar de Raad van State draait dit oordeel terug en acht het besluit rechtmatig.
- 5Het incidenteel hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard, zodat zijn bezwaren tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod volledig worden verworpen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat een onherroepelijke terrorismeveroordeling een deugdelijke grondslag vormt voor zowel intrekking van het Nederlanderschap als uitvaardiging van een terugkeerbesluit en inreisverbod. Dit sluit aan bij de bestaande lijn van de Afdeling inzake uitgereisd jihadistische strijders met een dubbele nationaliteit.
Praktische impact
Betrokkene verliest definitief zijn verblijfsrecht in Nederland en heeft te maken met een inreisverbod; als houder van uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit dient hij Nederland te verlaten en kan hij niet terugkeren.
Onderwerp-impact
De uitspraak onderstreept dat de overheid effectief kan optreden tegen personen die zich hebben aangesloten bij jihadistische terroristische organisaties, ook wanneer zij van oorsprong in Nederland zijn geboren en getogen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een man die in Nederland is geboren, in 1996 het Nederlanderschap verwierf en zijn Marokkaanse nationaliteit behield. In 2013 reisde hij uit naar Syrië en sloot zich daar aan bij de jihadistische terroristische organisaties Ahrar al-Sham en later Jund al-Aqsa. De rechtbank Rotterdam veroordeelde hem in 2019 tot vijf jaar en zes maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van deelneming aan een terroristische organisatie en het plegen van voorbereidingshandelingen voor terroristische aanslagen. Het gerechtshof Den Haag bevestigde in hoger beroep een straf van vijf jaar en vier maanden; deze veroordeling werd op 29 april 2021 onherroepelijk. Op grond van artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap trok de minister van Justitie en Veiligheid vervolgens het Nederlanderschap in, omdat betrokkene de essentiële belangen van Nederland ernstig had geschaad. Gelijktijdig werd een terugkeerbesluit genomen en een inreisverbod uitgevaardigd. De rechtbank Den Haag had het terugkeerbesluit en het inreisverbod eerder vernietigd. De minister stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; betrokkene deed dat incidenteel. De Afdeling oordeelt dat het hoger beroep van de minister gegrond is. De onherroepelijke veroordeling wegens terroristische misdrijven en het daarmee vastgestelde ernstig schaden van de essentiële belangen van Nederland rechtvaardigen zowel de intrekking van het Nederlanderschap als de uitvaardiging van het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Het incidenteel hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van betrokkene wordt alsnog ongegrond verklaard. Betrokkene heeft nu uitsluitend de Marokkaanse nationaliteit, heeft geen verblijfsrecht meer in Nederland en is onderworpen aan een inreisverbod.