Intrekking Nederlanderschap terrorist gerechtvaardigd ondanks indirect onderscheid
ECLI:NL:RVS:2026:5732, Raad van State, 30-09-2026, 202502611/1/V6
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 29 juli 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [appellant sub 2] ingetrokken. [appellant sub 2] is op [geboortedatum] 1987 geboren in Nederland. Hij heeft via zijn ouders de Marokkaanse nationaliteit verkregen. Op 27 augustus 1996 heeft hij samen met zijn ouders het Nederlanderschap verkregen. Hij heeft de Marokkaanse nationaliteit behouden. In juli 2013 is [appellant sub 2] via Turkije uitgereisd naar Syrië. Daar heeft hij zich in de periode tot en met 31 december 2015 als strijder aangesloten bij de jihadistische terroristische organisaties Ahrar al-Sham en later Jund al-Aqsa. De minister heeft het Nederlanderschap van [appellant sub 2] ingetrokken krachtens artikel 14, tweede lid, aanhef en onder b, van de RWN, omdat hij onherroepelijk is veroordeeld wegens terroristische misdrijven als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr). De minister verwijst daarvoor naar het strafvonnis van de rechtbank Rotterdam van 29 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:2420. Die rechtbank heeft [appellant sub 2] veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaar en zes maanden voor het medeplegen van het deelnemen aan een terroristische organisatie, meermalen gepleegd, en het medeplegen van voorbereidingshandelingen gericht op het plegen van terroristische aanslagen.
Kern van de zaak
De minister van Justitie en Veiligheid trok het Nederlanderschap in van appellant (met ook de Marokkaanse nationaliteit) wegens een onherroepelijke veroordeling voor een terroristisch misdrijf. Appellant bestreed dit onder meer met een beroep op discriminatie naar nationale en etnische afstamming, en stelde te zijn gederadicaliseerd.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond. Hoewel de intrekkingsregeling in de praktijk een indirect onderscheid oplevert ten nadele van Nederlanders met een meervoudige nationaliteit die door hun afstamming geen afstand kunnen doen van hun andere nationaliteit, bestaat daarvoor een objectieve rechtvaardiging; bovendien heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij is gederadicaliseerd.
Impactscore
HoogDe Raad van State geeft een principieel oordeel over de verhouding tussen de RWN-intrekkingsregeling en het discriminatieverbod bij een kwetsbare groep (meervoudige nationaliteit door afstamming), wat richtinggevend is voor alle vergelijkbare intrekkingszaken maar geen geheel nieuw rechtsgebied bestrijkt.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 14 lid 2 sub b RWN maakt geen verboden direct onderscheid naar afkomst of nationale/etnische afstamming bij intrekking Nederlanderschap na terrorismeveroordeling.
- 2In de praktijk ontstaat wel een indirect onderscheid ten nadele van Nederlanders met een meervoudige nationaliteit die door etnische/nationale afstamming hun andere nationaliteit niet kunnen opgeven.
- 3Voor dit indirecte onderscheid bestaat een objectieve rechtvaardiging: het verbreken van de band met Nederland na ernstige anti-Nederlandse handelingen én de plicht staatloosheid te voorkomen.
- 4Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij is gederadicaliseerd en daarmee geen gevaar meer vormt voor de nationale veiligheid.
- 5Het incidenteel hoger beroep van appellant wordt eveneens behandeld nu de voorwaarde (gegrondheid ministerieel hoger beroep) is vervuld.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat de RWN-intrekkingsregeling bij terrorisme geen directe discriminatie inhoudt en dat indirect onderscheid naar nationale/etnische afstamming objectief gerechtvaardigd kan zijn, mits staatloosheid wordt voorkomen. Dit biedt een helder toetsingskader voor toekomstige intrekkingsprocedures.
Praktische impact
Nederlanders met een meervoudige nationaliteit die door afstamming hun andere nationaliteit niet kunnen opgeven, kunnen ook bij een terrorismeveroordeling het Nederlanderschap verliezen; de uitkomst van de gederadicaliseeringstoets is daarbij een zelfstandige, bepalende factor.
Onderwerp-impact
Overheidsinstanties krijgen bevestiging dat intrekking van het Nederlanderschap wegens terrorisme in stand blijft ook wanneer de betrokkene stelt te zijn gederadicaliseerd, zolang dat niet aannemelijk wordt gemaakt; dit versterkt het instrument als maatregel voor nationale veiligheid.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of de minister van Justitie en Veiligheid terecht het Nederlanderschap had ingetrokken van een man met zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit, nadat hij onherroepelijk was veroordeeld voor een terroristisch misdrijf. De intrekking was gebaseerd op artikel 14 lid 2 sub b van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Appellant betoogde dat de regeling een verboden onderscheid maakt naar afkomst of nationale en etnische afstamming, en dat hij inmiddels was gederadicaliseerd. De Raad van State oordeelt dat de wet geen direct onderscheid maakt naar afkomst of nationale of etnische afstamming: de intrekkingsbevoegdheid geldt voor alle Nederlanders met een tweede nationaliteit, ongeacht de herkomst van die nationaliteit. Wel erkent de Afdeling dat in de praktijk een indirect onderscheid ontstaat, omdat Nederlanders die door hun nationale of etnische afstamming een andere nationaliteit bezitten waarvan zij geen afstand kunnen doen — zoals Marokkanen — structureel vaker worden geraakt dan anderen. Dit indirecte onderscheid is echter objectief gerechtvaardigd. De rechtvaardiging is tweeledig: enerzijds brengt de regeling tot uitdrukking dat iemand die zich schuldig maakt aan terrorisme zich zodanig tegen de Nederlandse belangen heeft gekeerd dat de staatsrechtelijke band niet langer kan bestaan; anderzijds is de Nederlandse staat gehouden staatloosheid te voorkomen, hetgeen de begrenzing van de regeling tot meervoudige nationaliteitshouders verklaart. Daarnaast heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij daadwerkelijk is gederadicaliseerd en daarmee geen gevaar meer vormt voor de nationale veiligheid. De minister mocht zich dan ook op dit standpunt stellen. Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard; het incidenteel hoger beroep van appellant — dat voorwaardelijk was ingesteld — wordt eveneens behandeld nu aan de voorwaarde is voldaan. De uitspraak biedt een helder toetsingskader voor toekomstige intrekkingsprocedures en bevestigt dat het instrument ook bij meervoudige nationaliteit door afstamming rechtmatig ingezet kan worden.