Asielzoeker Colombia wint: minister hoger beroep ongegrond
ECLI:NL:RVS:2026:5686, Raad van State, 25-09-2026, BRS.26.003950
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 3 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een Colombiaanse asielzoeker heeft een verblijfsvergunning gevraagd op grond van bescherming. De minister van Asiel en Migratie ging in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank, die oordeelde dat betrokkene aannemelijk had gemaakt dat hij in zijn specifieke situatie onvoldoende rechtsbescherming in Colombia kan verwachten, ook al bieden de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen voldoende bescherming.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van de minister is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De doorslaggevende reden is dat de rechtbank de bewijslastverdeling correct heeft toegepast en betrokkene erin is geslaagd aannemelijk te maken dat zijn specifieke situatie een uitzondering rechtvaardigt op de algemene veronderstelling van voldoende Colombiaanse rechtsbescherming. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00.
Impactscore
LaagDe uitspraak is casuïstisch van aard en betreft een enkelvoudige kamer; er worden geen nieuwe rechtsvragen beantwoord en de Afdeling past bestaande bewijslastregels toe zonder nadere rechtsontwikkeling.
Belangrijkste punten
- 1Betrokkene slaagde erin aannemelijk te maken dat de Colombiaanse autoriteiten in zijn specifieke geval onvoldoende rechtsbescherming bieden, ondanks algemene toereikendheid.
- 2De rechtbank week niet af van de bewijslastverdeling; de Afdeling bevestigt dat de rechtbank correct heeft geoordeeld.
- 3Het hoger beroep bevat geen vragen van belang voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin (art. 91 lid 2 Vw 2000), zodat nadere motivering niet vereist is.
- 4Er rijzen geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht (verwijzing naar HvJ 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243).
- 5De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten ad € 934,00 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van de individuele beoordeling bij landen van herkomst die in het algemeen voldoende bescherming bieden, waarbij de bewijslast bij de vreemdeling ligt maar een concrete, specifieke onderbouwing kan volstaan om een uitzondering aan te nemen. De verwijzing naar het recente HvJ-arrest Remling bevestigt dat geen prejudiciële vragen noodzakelijk zijn.
Praktische impact
De minister moet proceskosten van € 934,00 vergoeden aan betrokkene. Voor de vreemdeling betekent de bevestigde rechtbankuitspraak dat zijn asielprocedure in zijn voordeel is beslist en hij aanspraak kan maken op verdere verblijfsrechtelijke bescherming.
Onderwerp-impact
In asielzaken met betrekking tot Colombia wordt bevestigd dat ook als een land in het algemeen voldoende rechtsbescherming biedt, een individuele asielzoeker met concrete feiten kan aantonen dat hij persoonlijk op die bescherming niet kan rekenen.
Samenvatting
In deze zaak ging de minister van Asiel en Migratie in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank, die had geoordeeld ten gunste van een Colombiaanse asielzoeker. De rechtbank had vastgesteld dat betrokkene erin was geslaagd aannemelijk te maken dat, hoewel de Colombiaanse autoriteiten in het algemeen voldoende rechtsbescherming bieden, dit in zijn specifieke situatie niet het geval zou zijn. De minister betoogde dat de rechtbank daarmee de bewijslastverdeling had miskend. De Afdeling verwierp dit betoog en oordeelde dat de rechtbank juist conform de geldende bewijslastverdeling had gehandeld: de vreemdeling droeg de bewijslast en slaagde erin met concrete feiten aannemelijk te maken dat hij persoonlijk op de Colombiaanse bescherming niet kan terugvallen. De Afdeling zag geen aanleiding het oordeel nader te motiveren, omdat het hogerberoepschrift geen vragen opwierp die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord dienden te worden, zoals vereist door artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000. Evenmin rezen vragen over de uitleg of geldigheid van Unierecht, waarbij de Afdeling verwees naar het recente arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 in de zaak Remling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, de aangevallen uitspraak werd bevestigd en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00. De uitspraak onderstreept dat bij landen die in het algemeen geacht worden voldoende bescherming te bieden, een individuele toets onverminderd van belang blijft en dat een asielzoeker via concrete, persoonlijke omstandigheden een uitzondering kan bewerkstelligen.