Raad van State beoordeelt uitwegvergunning IJsselstein onder APV
ECLI:NL:RVS:2026:5674, Raad van State, 23-09-2026, 202502072/1/R4
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein aan [appellant A] een omgevingsvergunning verleend voor het maken van een uitweg aan de [locatie 1] in IJsselstein. Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft het college aan [appellant A] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo verleend voor het maken van een uitweg bij de woning van [appellanten] aan de [locatie 1] in IJsselstein. Hiertegen hebben [partij] en anderen, allen wonend aan de [locatie 2], bezwaar gemaakt. Bij besluit van 20 augustus 2024 heeft het college hun bezwaar ongegrond verklaard.
Kern van de zaak
Appellanten vroegen in mei 2022 een omgevingsvergunning aan voor het aanleggen van een uitweg bij hun woning in IJsselstein. Omwonenden maakten bezwaar. De rechtbank vernietigde de vergunning omdat de APV IJsselstein verplicht tot weigering; appellanten stelden hoger beroep in bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is onvolledig weergegeven en bevat alleen de inleiding en het begin van de besprekingsfase; de uiteindelijke beslissing van de Raad van State is niet kenbaar uit de beschikbare tekst. Op basis van de beschikbare overwegingen staat vast dat de Raad van State het hoger beroep van appellanten inhoudelijk behandelt, waarbij de kernvraag is of artikel 2:12, tweede lid, onder b, van de APV IJsselstein verplicht tot weigering van de uitwegvergunning.
Impactscore
LaagHet betreft een feitelijk en lokaal gebonden geschil over één uitwegvergunning in IJsselstein; de juridische vraag over de APV-weigeringsgrond heeft beperkte precedentwerking buiten deze gemeente. Bovendien is de beslissing onvolledig overgelegd, waardoor de werkelijke impact moeilijk te beoordelen is.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht: omdat de aanvraag dateert van mei 2022 (vóór 1 januari 2024), blijft de Wabo (oud) van toepassing op grond van artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet.
- 2De vergunning betreft een uitweg als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, Wabo.
- 3De rechtbank heeft de vergunning geweigerd op grond van artikel 2:12 APV IJsselstein, dat naar haar oordeel dwingt tot weigering.
- 4Appellanten betwisten dat artikel 2:12, tweede lid, onder b, APV verplicht tot weigering en stellen dat het college beoordelingsruimte had.
- 5De inhoudelijke beslissing van de Raad van State ontbreekt in de beschikbare tekst; beoordeling is daardoor onzeker.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt de toepassing van het overgangsrecht bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en de reikwijdte van dwingende weigeringsgronden in een APV bij uitwegvergunningen onder de Wabo. De precieze rechtsregel van de Raad van State is niet vast te stellen nu de beslissing ontbreekt.
Praktische impact
Voor appellanten is onduidelijk of zij alsnog een uitwegvergunning kunnen verkrijgen. Voor omwonenden en het college van IJsselstein biedt de uitspraak (zodra volledig) duidelijkheid over de bandbreedte van de gemeentelijke APV-weigeringsplicht.
Onderwerp-impact
De zaak raakt de praktijk van uitwegvergunningen en de toepassing van lokale APV-bepalingen in combinatie met het overgangsrecht van de Omgevingswet, relevant voor gemeenten die vergelijkbare APV-bepalingen kennen.
Samenvatting
Deze zaak betreft een hoger beroep bij de Raad van State over een geweigerde omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg bij een woning aan de [locatie 1] in IJsselstein. De vergunningaanvraag werd ingediend in mei 2022, ruim vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Op grond van het overgangsrecht (artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet) blijft daardoor de Wabo van toepassing totdat het besluit op de aanvraag onherroepelijk is geworden. Het college van burgemeester en wethouders van IJsselstein verleende aanvankelijk de vergunning (augustus 2022), maar verklaarde het bezwaar van omwonenden ongegrond (augustus 2024). De rechtbank vernietigde vervolgens het besluit en herriep de vergunning, omdat zij oordeelde dat artikel 2:12 APV IJsselstein dwingend voorschrijft dat de vergunning geweigerd moet worden. Appellanten bestrijden in hoger beroep dat artikel 2:12, tweede lid, onder b, APV een onvoorwaardelijke weigeringsplicht in het leven roept. Zij betogen dat het college beoordelingsruimte had en terecht de vergunning kon verlenen zonder in strijd te komen met de APV. De beschikbare tekst bevat uitsluitend de inleiding en het begin van de inhoudelijke beoordeling door de Raad van State; de daadwerkelijke beslissing en de volledige motivering ontbreken. Daardoor is onzeker wat de Raad van State uiteindelijk heeft geoordeeld over de reikwijdte van de APV-bepaling en de vraag of het college al dan niet vrijheid had bij de verlening van de uitwegvergunning. De uitspraak is daarmee slechts gedeeltelijk analyseerbaar.