JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5593Laag18/100

Hoger beroep minister ongegrond in Syrische asielzaak beslistermijn

ECLI:NL:RVS:2026:5593, Raad van State, 23-09-2026, BRS.25.002682

Raad van StateUitspraak: 23 september 2026Publicatie: 21 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.25.002682
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Beslistermijn
Asielrecht
Artikel 91 Vw2000
Syrische Asielzoekers
Besluit En Vertrekmoratorium

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Kern van de zaak

De minister van Asiel en Migratie had de asielaanvraag van een Syrische vreemdeling niet tijdig beslist. De rechtbank oordeelde in het voordeel van betrokkene, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State over de beslistermijn in asielzaken van Syriërs die onder het besluit- en vertrekmoratorium vielen.

Beslissing van de rechter

Het hoger beroep van de minister is ongegrond verklaard; de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De doorslaggevende reden is dat de rechtsvraag over de beslistermijn al eerder door de Afdeling is beantwoord (RvS 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5232) en het hoger beroep geen nieuwe vragen opwerpt die het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming dienen.

18van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak volgt reeds gevestigde rechtspraak en voegt geen nieuwe rechtsnorm toe; zij heeft slechts betekenis voor de individuele zaak en is procedureel van aard.

Belangrijkste punten

  • 1Vereenvoudigde afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000: het hogerberoepschrift bevat geen rechtsvragen die nadere motivering vergen.
  • 2De rechtsvraag over de beslistermijn bij Syrische asielzoekers onder het besluit- en vertrekmoratorium is al beantwoord in RvS 9 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5232).
  • 3Geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie, gelet op de acte-clair-doctrine (Cilfit, Consorzio Italian Management, Remling).
  • 4Het inmiddels genomen afwijzingsbesluit van 29 juli 2026 wordt van rechtswege betrokken in het geding en doorverwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem.
  • 5De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ad € 467,00 met toepassing van wegingsfactor 0,5 wegens het beperkte karakter (enkel niet-tijdig beslissen).

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak bevestigt de reeds in september 2026 uitgezette lijn inzake de beslistermijn in asielzaken van Syriërs die onder het besluit- en vertrekmoratorium vielen, zonder nieuwe rechtsontwikkeling toe te voegen. De acte-clair-doctrine wordt opnieuw toegepast om prejudiciële verwijzing naar het HvJ te vermijden.

Praktische impact

De minister dient proceskosten te vergoeden en het afwijzingsbesluit van 29 juli 2026 wordt ter verdere behandeling doorgestuurd naar de rechtbank, zodat betrokkene inhoudelijke rechterlijke toetsing van zijn asielaanvraag krijgt.

Onderwerp-impact

Voor Syrische asielzoekers die onder het besluit- en vertrekmoratorium vielen bevestigt deze uitspraak dat de overheid zich aan wettelijke beslistermijnen moet houden; structurele overschrijding hiervan wordt niet getolereerd.

Samenvatting

In deze zaak stond centraal of de minister van Asiel en Migratie terecht in hoger beroep ging tegen een rechtbankuitspraak die hem veroordeelde wegens het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag van een Syrische vreemdeling die op enig moment onder het besluit- en vertrekmoratorium had gevallen. De Raad van State paste de vereenvoudigde afdoeningsprocedure van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe, omdat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord dienden te worden. De rechtsvraag over de beslistermijn in asielzaken van Syriërs onder het moratorium was immers al uitdrukkelijk beantwoord in de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5232). De minister had geen argumenten aangevoerd die aanleiding gaven om in dit geval anders te oordelen. Ook bestond er geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de EU: de opgeworpen Unierechtelijke vraag kon worden beantwoord aan de hand van bestaande HvJ-rechtspraak (Cilfit, Consorzio Italian Management, Remling), zodat sprake was van een acte clair. De overige grieven van de minister riepen evenmin vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierechtelijke bepalingen. Het hoger beroep werd dan ook ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Daarnaast werd het inmiddels door de minister genomen afwijzingsbesluit van 29 juli 2026 — dat van rechtswege onderdeel van het geding was geworden — doorverwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, voor inhoudelijke beoordeling. De minister werd veroordeeld tot betaling van € 467,00 aan proceskosten, waarbij de Afdeling wegingsfactor 0,5 hanteerde omdat het hoger beroep uitsluitend betrekking had op het niet tijdig beslissen.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 30 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

Raad van State·30 sep 2026
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Zorg
Vergunningen
ECLI:NL:RVS:2026:5799

Buurman verliest hoger beroep over uitbouw woonzorgcentrum Doorn

22/100Bekijk
Raad van State·30 sep 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Vastgoed
Vergunningen
ECLI:NL:RVS:2026:5808

Bestemmingsplan Den Ham deels vernietigd wegens gebrekkige geluidbeoordeling

38/100Bekijk
Raad van State·30 sep 2026
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Overheid
Vergunningen
ECLI:NL:RVS:2026:5803

Raad van State beoordeelt herstelbesluit bestemmingsplan Schiermonnikoog

22/100Bekijk
Raad van State·30 sep 2026
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Handhaving
Vergunningen
ECLI:NL:RVS:2026:5779

Handhaving geluidsnormen motorcrossterrein onder oud recht voortgezet

28/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied

Onderwerpen