Hoger beroepen vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:5562, Raad van State, 21-09-2026, BRS.25.002108
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 16 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Zowel een vreemdeling (betrokkene) als de minister hebben hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De exacte inhoudelijke toedracht is niet volledig kenbaar uit de uitspraak, maar beide partijen bestreden het oordeel van de rechtbank op uiteenlopende gronden.
Beslissing van de rechter
Beide hoger beroepen zijn ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De doorslaggevende reden is dat de hogerberoepschriften geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, Vw 2000), waardoor nadere motivering achterwege blijft.
Impactscore
LaagDe uitspraak past uitsluitend bestaand recht toe via een verkorte procedure en stelt geen nieuwe rechtsnormen; de inhoudelijke feiten zijn bovendien grotendeels onbekend uit de gepubliceerde tekst.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 91, tweede lid, Vw 2000 toegepast: verkorte motivering bij afwezigheid van rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen
- 2Zowel het hoger beroep van de vreemdeling als dat van de minister worden ongegrond verklaard
- 3De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (r.o. 7.4 t/m 7.13) integraal over voor het hoger beroep van betrokkene
- 4Geen prejudiciële vragen over Unierecht; hogerberoepschriften roepen geen uitlegvragen op (arrest Hof van Justitie 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243)
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak is een routinematige toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en heeft geen zelfstandige precedentwerking. Er worden geen nieuwe rechtsregels gesteld.
Praktische impact
Voor betrokkene betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat het standpunt van de minister in de vreemdelingenzaak in stand blijft; verdere rechtsmiddelen zijn niet beschikbaar. De minister draagt geen proceskosten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken blijft de verkorte motiveringsregel van artikel 91 lid 2 Vw 2000 een efficiënt instrument om standaardzaken zonder rechtseenheidsvragen snel af te doen, wat de doorlooptijd beperkt.
Samenvatting
In deze vreemdelingenzaak hadden zowel de betrokken vreemdeling als de minister hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De exacte inhoudelijke gronden van de zaak zijn niet volledig kenbaar uit de gepubliceerde uitspraak; de Afdeling volstaat met een verkorte afdoening op grond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De centrale juridische vraag was of de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel was gekomen. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend. Ten aanzien van het hoger beroep van betrokkene neemt de Afdeling de motivering van de rechtbank (rechtsoverwegingen 7.4 tot en met 7.13) integraal over. Nadere motivering blijft achterwege omdat de hogerberoepschriften geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden — de wettelijke drempel voor een volledige behandeling krachtens artikel 91, tweede lid, Vw 2000. Dezelfde redenering geldt voor het hoger beroep van de minister: ook dat leidt niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en vereist geen inhoudelijke nadere motivering. De Afdeling stelt bovendien vast dat de hogerberoepschriften geen vragen oproepen over de uitleg of geldigheid van een bepaling van Unierecht, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026 (Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24), zodat ook geen prejudiciële verwijzing aan de orde is. De conclusie is dat beide hoger beroepen ongegrond zijn, de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak heeft geen zelfstandige precedentwerking en is illustratief voor de routinematige toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure in het vreemdelingenrecht.