Hoger beroep asielzoeker niet-ontvankelijk na alsnog genomen besluit
ECLI:NL:RVS:2026:555, Raad van State, 02-02-2026, 202500947/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker ging in hoger beroep omdat de minister niet tijdig een besluit had genomen op zijn asielaanvraag. Tijdens de procedure nam de minister alsnog een besluit (afwijzing, 24 december 2025). Daarmee verviel het processueel belang bij het hoger beroep.
Beslissing van de rechter
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen processueel belang meer heeft nu de minister alsnog een besluit heeft genomen. De minister wordt wel veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 467,00, en de zaak over het inhoudelijke asielbesluit wordt verwezen naar de rechtbank Den Haag.
Impactscore
LaagDe uitspraak past volledig binnen de bestaande rechtspraak over procesbelang bij beroepen wegens niet-tijdig beslissen en voegt geen nieuwe rechtsregel toe; de juridische betekenis is beperkt tot de bevestiging van staande lijnen en de procedurele verwijzing naar de lopende prejudiciële trajecten.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep wegens niet-tijdig beslissen verliest zijn belang zodra de minister alsnog een besluit neemt tijdens de procedure.
- 2De Afdeling wacht nog op de einduitspraak in de prejudiciële verwijzingszaak over WBV 2022/22 (HvJ 8 mei 2025) voordat zij beslist over de rechtmatigheid van de verlengde beslistermijnen.
- 3De prejudiciële vragen over WBV 2023/3 zijn nog niet beantwoord door het Hof van Justitie; aanhouding van die zaken wordt na de einduitspraak over WBV 2022/22 opnieuw bezien.
- 4De beslistermijn asiel vangt aan op het moment dat de vreemdeling zijn asielwens in persoon kenbaar maakt, doorgaans bewezen via de loopbrief.
- 5Ondanks niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep kent de Afdeling proceskosten toe aan appellant wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een hoger beroep wegens niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk wordt verklaard zodra een inhoudelijk besluit is genomen, en legt de samenhang bloot met de lopende prejudiciële procedures over de verlengde asielbeslistermijnen (WBV 2022/22 en WBV 2023/3).
Praktische impact
Appellant heeft geen hoger beroep meer over het niet-tijdig beslissen, maar zijn inhoudelijke asielprocedure gaat door bij de rechtbank Den Haag; hij ontvangt wel een kostenvergoeding van € 467,00 voor de hogerberoepsprocedure.
Onderwerp-impact
Voor asielzoekers en hun advocaten verduidelijkt deze uitspraak dat procederen over niet-tijdig beslissen zijn doel verliest zodra de minister – ook vlak voor of tijdens het hoger beroep – een inhoudelijk besluit neemt, waarna de inhoudelijke toets bij de bestuursrechter in eerste aanleg hervat wordt.
Samenvatting
In deze zaak had een asielzoeker beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het uitblijven van een beslissing van de minister van Asiel en Migratie op zijn asielaanvraag. De rechtbank deed uitspraak, maar ook op dat moment had de minister nog geen besluit genomen. Appellant ging vervolgens in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Hangende dat hoger beroep nam de minister op 24 december 2025 alsnog een besluit, waarbij de asielaanvraag werd afgewezen. De Afdeling stelt vast dat appellant door dit besluit geen processueel belang meer heeft bij de beoordeling van het hoger beroep over het niet-tijdig beslissen: de grondslag voor dat beroep is weggevallen nu er wél een besluit is genomen. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling besteedt ook aandacht aan de bredere context van de asielbeslistermijnen. In eerdere uitspraken heeft zij prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie over de rechtmatigheid van de verlengde beslistermijnen op grond van WBV 2022/22 en WBV 2023/3. Het Hof heeft op 8 mei 2025 antwoord gegeven op de vragen over WBV 2022/22; de Afdeling moet hierover nog einduitspraak doen. De vragen over WBV 2023/3 zijn nog onbeantwoord. Na de einduitspraak over WBV 2022/22 zal worden bezien of aanhouding van WBV 2023/3-zaken nodig blijft. Deze prejudiciële trajecten hebben geen invloed op de proceskostenveroordeling in de voorliggende zaak. Omdat het hoger beroep is ingediend wegens het uitblijven van een besluit en de minister pas daarna heeft beslist, veroordeelt de Afdeling de minister tot vergoeding van € 467,00 aan proceskosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De inhoudelijke beoordeling van het asielbesluit van 24 december 2025 wordt verwezen naar de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam.