Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:554, Raad van State, 02-02-2026, 202502269/1/V3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 16 december 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een vreemdeling heeft via zijn advocaat hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenzaak. De minister (van Asiel en Migratie) was de wederpartij. De exacte feitelijke achtergrond van de zaak is niet uit de uitspraak zelf af te leiden, nu alleen de hoger beroepsprocedure is weergegeven.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Raad van State heeft toepassing gegeven aan de verkorte motiveringsplicht van artikel 91 lid 2 Vw 2000, omdat het hogerberoepschrift geen rechtseenheids- of rechtsontwikkelingsvragen bevat die nadere beantwoording behoeven.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaard verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen. De inhoud van de onderliggende zaak is niet kenbaar uit de gepubliceerde tekst, en er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: verkorte afdoening zonder verdere motivering omdat het hoger beroep geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin bevat.
- 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overwegingen 12, 15, 16 en 20) integraal over.
- 3De uitspraak van de rechtbank wordt in stand gelaten; geen vernietiging.
- 4De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5Behandeling door enkelvoudige kamer, wat past bij de routinematige aard van de afdoening.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak heeft geen zelfstandige juridische impact buiten de individuele zaak, nu de Afdeling expliciet overweegt dat geen vragen spelen die het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling raken. De verkorte motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 bevestigt de standhoudende rechtspraktijk.
Praktische impact
Voor de betrokken vreemdeling betekent de uitspraak dat het rechtsmiddel is uitgeput en de beslissing van de minister onherroepelijk is geworden. Verdere juridische wegen in Nederland zijn hiermee in beginsel afgesloten.
Onderwerp-impact
Binnen het vreemdelingenrecht illustreert de zaak de werking van de verkorte afdoeningsgrond, die veelvuldig wordt toegepast en bijdraagt aan een efficiënte doorstroom van vreemdelingenzaken bij de Afdeling bestuursrechtspraak.
Samenvatting
In deze vreemdelingenzaak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 2 februari 2026 het hoger beroep van een vreemdeling ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. De procedure betreft een hoger beroep in een vreemdelingenzaak waarbij de minister als wederpartij optrad. De inhoudelijke feiten van de onderliggende zaak zijn uit de gepubliceerde uitspraaktekst niet volledig te reconstrueren; de Afdeling volstaat met een verwijzing naar overwegingen 12, 15, 16 en 20 van de rechtbankuitspraak, welke zij integraal overneemt en tot de hare maakt. De juridische kern van de uitspraak ligt in de toepassing van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Dit artikel biedt de Afdeling de mogelijkheid om hoger beroepen zonder uitvoerige motivering af te doen wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven. De Afdeling oordeelt dat dit hier het geval is: de grieven van de vreemdeling zijn niet van dien aard dat een inhoudelijke, zelfstandig gemotiveerde beoordeling is vereist. De uitspraak heeft daarmee geen precedentwerking en voegt inhoudelijk niets nieuws toe aan het vreemdelingenrecht. Voor de betrokken vreemdeling heeft de beslissing echter vergaande praktische gevolgen: nu ook de hogerberoepsprocedure zonder succes is doorlopen, is de beslissing van de minister onherroepelijk en zijn in Nederland de rechtsmiddelen uitgeput. De proceskosten worden niet vergoed aan de minister. De behandeling door een enkelvoudige kamer is passend bij het routinematige karakter van de afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000.