RvS: zelfstandig ondernemerschap niet aangetoond, verblijfsvergunning geweigerd
ECLI:NL:RVS:2026:5535, Raad van State, 18-09-2026, BRS.25.002440
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 18 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een Italiaanse langdurig ingezetene vroeg in Nederland een verblijfsvergunning aan als zelfstandige ondernemer (eenmanszaak in schoonmaak en horeca). De minister wees de aanvraag af. De rechtbank vernietigde het besluit op bezwaar omdat de motivering ondeugdelijk was, maar liet de rechtsgevolgen niet in stand.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Doorslaggevend is dat de minister zonder het eerder betwiste standpunt over het ondernemingsplan alsnog deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet als zelfstandig ondernemer kan worden aangemerkt.
Impactscore
LaagDe uitspraak is casuïstisch van aard en stelt geen nieuwe rechtsnormen; de toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 en de instandhouding van rechtsgevolgen zijn gangbare instrumenten zonder richtinggevende betekenis.
Belangrijkste punten
- 1Betrokkene heeft in Italië een status als langdurig ingezetene en vroeg in Nederland een verblijfsvergunning aan onder de beperking 'arbeid als zelfstandige'.
- 2De rechtbank vernietigde het besluit omdat de minister opnieuw het ontbreken van een deugdelijk ondernemingsplan tegenwerkte, in strijd met een eerdere uitspraak.
- 3De Afdeling laat de eerste grief over het ondernemingsplan ongemotiveerd passeren op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 (geen belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling).
- 4De minister heeft, los van het ondernemingsplan, deugdelijk onderbouwd dat betrokkene niet als zelfstandig ondernemer kwalificeert; de rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.
- 5De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand, zodat een nieuw besluit op bezwaar niet meer nodig is.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat een rechter ook na vernietiging van een besluit de rechtsgevolgen in stand kan laten indien de resterende motivering de beslissing zelfstandig kan dragen. Artikel 91 lid 2 Vw 2000 wordt toegepast om de eerste grief ongemotiveerd te verwerpen.
Praktische impact
Betrokkene verkrijgt geen verblijfsvergunning als zelfstandig ondernemer in Nederland en kan niet alsnog via een nieuw bezwaarprocedure op dit punt een herkansing afdwingen.
Onderwerp-impact
Voor zelfstandige ondernemers met een EU-langdurig-ingezetenenestatus die naar Nederland willen migreren, bevestigt deze uitspraak dat het aantonen van daadwerkelijk zelfstandig ondernemerschap een strikte vereiste blijft, waarbij de bewijslast zwaar weegt.
Samenvatting
In deze zaak stond centraal of een Italiaanse onderdaan met een EU-langdurig-ingezetenenestatus in aanmerking komt voor een Nederlandse verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'arbeid als zelfstandige'. Betrokkene exploiteerde in Nederland een eenmanszaak in schoonmaak- en horecawerkzaamheden. De minister wees zijn aanvraag af en verklaarde zijn bezwaar ongegrond. De rechtbank Den Haag vernietigde het besluit op bezwaar van 20 december 2023 omdat de minister opnieuw het ontbreken van een deugdelijk ondernemingsplan had tegengeworpen, terwijl zij dat in een eerdere uitspraak van 14 maart 2023 al had afgekeurd. Toch liet de rechtbank de rechtsgevolgen niet in stand, omdat ook de overige motivering onvoldoende was om het standpunt te schragen dat betrokkene niet als zelfstandig ondernemer kon worden aangemerkt. In hoger beroep klaagde de minister over dit oordeel. De Raad van State laat de eerste grief — over het ondernemingsplan — zonder nadere motivering passeren op grond van artikel 91 lid 2 van de Vreemdelingenwet 2000, nu deze geen vragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevat. Ten aanzien van de tweede grief oordeelt de Afdeling dat de minister — ook buiten het ondernemingsplan om — deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet als zelfstandig ondernemer kwalificeert. De verklaringen die betrokkene op de rechtbankzitting aflegde, zeggen op zichzelf weinig over zijn zelfstandige status en kunnen de minister niet baten. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover daarin een opdracht tot het nemen van een nieuw besluit op bezwaar is opgenomen, en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Betrokkene krijgt daarmee geen verblijfsvergunning en een herkansingsprocedure via bezwaar is niet meer mogelijk.