Hoger beroep vreemdelingenzaak niet-ontvankelijk wegens ontbrekende gronden
ECLI:NL:RVS:2026:5450, Raad van State, 16-09-2026, BRS.26.004363
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 10 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Appellanten stelden hoger beroep in bij de Raad van State in een vreemdelingenzaak. Zij legden echter niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn. De zaak betreft vermoedelijk een verblijfsrechtelijke kwestie op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat appellanten geen grieven hebben aangevoerd tegen de uitspraak van de rechtbank, zoals vereist op grond van artikel 85 Vw 2000. Er is geen aanleiding voor een uitzondering op grond van Bahaddar-omstandigheden.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige procedurele beslissing zonder inhoudelijke rechtsontwikkeling; de toegepaste regels zijn reeds vaste rechtspraak en de uitkomst heeft geen bredere precedentwerking.
Belangrijkste punten
- 1Hoger beroep vereist ingevolge artikel 85 Vw 2000 een duidelijke uiteenzetting van de grieven tegen de aangevochten uitspraak
- 2Appellanten hebben niet uitgelegd waarom de rechtbankuitspraak onjuist is, waardoor inhoudelijke beoordeling niet mogelijk is
- 3De Afdeling heeft getoetst of Bahaddar-omstandigheden aanwezig zijn (uitzondering bij ernstig risico), maar dit was niet het geval
- 4Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard, niet ongegrond: er is geen inhoudelijke beoordeling
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat hoger beroep in vreemdelingenzaken zonder deugdelijke grieven niet-ontvankelijk is op grond van artikel 85 Vw 2000, en onderstreept het belang van de Bahaddar-toets als veiligheidsventiel.
Praktische impact
Appellanten verliezen hun hoger beroep zonder inhoudelijke beoordeling; de rechtbankuitspraak staat daarmee onherroepelijk vast en de verblijfsrechtelijke positie van appellanten wordt niet nader getoetst.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenprocedures is het essentieel dat hoger beroepschriften concrete en specifieke grieven bevatten; het ontbreken daarvan leidt onvermijdelijk tot niet-ontvankelijkheid, ongeacht de inhoudelijke merites van de zaak.
Samenvatting
In deze vreemdelingenzaak stelden appellanten, bijgestaan door een advocaat uit Emmen, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De centrale juridische vraag was of het hoger beroep ontvankelijk was, nu appellanten in hun hogerberoepschrift niet uitlegden waarom de uitspraak van de rechtbank naar hun mening onjuist was. Op grond van artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) dient een hogerberoepschrift een of meer grieven te bevatten, dat wil zeggen een duidelijke uiteenzetting van de redenen waarom de aangevochten uitspraak niet deugt. Nu appellanten dit hebben nagelaten, was de Afdeling niet in staat een inhoudelijk oordeel te geven over het hoger beroep. De Afdeling heeft vervolgens getoetst of er sprake was van zogenoemde Bahaddar-omstandigheden, een uitzonderingscategorie die de Afdeling erkende in haar uitspraak van 22 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1664). In die gevallen kan de Afdeling, ondanks het ontbreken van grieven, toch inhoudelijk toetsen wanneer er sterke aanwijzingen zijn dat uitzetting zou leiden tot een reëel risico op ernstige schending van fundamentele rechten. In dit geval deden dergelijke omstandigheden zich echter niet voor. De Afdeling heeft het hoger beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaard. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak van de rechtbank staat hiermee onherroepelijk vast. De beslissing is genomen door een enkelvoudige kamer en bevestigt de vaste rechtspraktijk rondom de griffievereisten in vreemdelingenhoger beroep.