Hoger beroep vreemdeling ongegrond: SIS-signalering en verblijf Portugal
ECLI:NL:RVS:2026:5417, Raad van State, 16-09-2026, BRS.26.000353
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 6 februari 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling (appellant) ging in hoger beroep bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De zaak betreft een SIS-signalering inzake terugkeer en de vraag of sprake is van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6 lid 2 van de Terugkeerrichtlijn. De minister had eerder een terugkeerbesluit genomen.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Doorslaggevend is dat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden (artikel 91 lid 2 Vw 2000), nu de relevante rechtsvragen al eerder door de Afdeling zijn beantwoord.
Impactscore
LaagHet betreft een routinematige verkorte afdoening zonder nieuwe rechtsontwikkeling; de Afdeling verwijst volledig naar bestaande jurisprudentie en voegt geen nieuwe norm toe.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: verkorte motivering omdat geen rechtsvragen van algemeen belang spelen
- 2De Afdeling verwijst naar eerder arrest van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177) over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en SIS-signalering
- 3Geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen dan in eerdere rechtspraak
- 4Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht conform HvJ-arrest Remling (24 maart 2026)
- 5De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past binnen de bestaande lijn van de Afdeling over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en SIS-signaleringen en voegt geen nieuwe rechtsregels toe. De verkorte afdoening via artikel 91 lid 2 Vw 2000 bevestigt dat de rechtsvragen als uitgekristalliseerd worden beschouwd.
Praktische impact
Voor appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat het terugkeerbesluit en de SIS-signalering in stand blijven, zonder proceskosten voor de minister. De uitkomst biedt andere vreemdelingen in vergelijkbare situaties weinig ruimte voor nieuwe procedures op dezelfde gronden.
Onderwerp-impact
In vreemdelingrechtelijke procedures rond SIS-signaleringen en de toepassing van de Terugkeerrichtlijn wordt bevestigd dat de Afdeling vasthoudt aan haar eerdere koers; dit ontmoedigt herhaling van dezelfde argumenten in hoger beroep.
Samenvatting
In deze zaak ging een vreemdeling, bijgestaan door mr. M.J.A. Bakker, in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, en of het evenredigheidsbeginsel was geschonden in verband met een SIS-signalering inzake terugkeer die de minister had uitgevaardigd. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. De beslissing is genomen via de verkorte procedure van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, die toelaat dat een oordeel niet verder gemotiveerd hoeft te worden wanneer het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelt vast dat de relevante rechtsvragen — over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en de evenredigheid van de SIS-signalering — reeds zijn beantwoord in een eerdere uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177). Er is geen reden om in dit concrete geval tot een ander oordeel te komen. Evenmin roept het hogerberoepschrift vragen op over de uitleg of geldigheid van Unierecht, overeenkomstig het criterium uit het HvJ-arrest Remling van 24 maart 2026. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft daarmee een beperkt precedentkarakter en bevestigt uitsluitend de reeds gevestigde rechtslijn.