RvS beoordeelt handhavingsverzoek bebouwing onder oud Wabo-recht
ECLI:NL:RVS:2026:5315, Raad van State, 09-09-2026, 202305021/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 19 november 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roermond aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een aanbouw aan de woning op het perceel [locatie 1] in Roermand. Bij besluit van 30 december 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen aanwezige bebouwing en in uitvoering zijnde bouwactiviteiten op het perceel afgewezen. [appellant] woont aan de [locatie 2] in Roermond. Zij heeft het college op 7 juli 2020 verzocht om handhavend op te treden tegen aanwezige bebouwing en de in uitvoering zijnde bouwactiviteiten op het naastgelegen perceel. Het handhavingsverzoek gaat over de volgende bouwwerken: A. Bestaande aanbouw tegen achterzijde woning; B. Constructie houten palen en liggers waartussen een vast doek; C. Tuinhuis; D. Betonnen vloerplaat ten behoeve van te bouwen aanbouw (hobbyruimte); E. Bestaande overkapping; F. Houten constructie ter ondersteuning van leilinden; G. Houten kast voor de opslag van tuingereedschap; H. Houtopslag. Het college heeft voor de bestaande aanbouw aan de achterzijde van de woning (bouwwerk A) en een nieuw te bouwen aanbouw aan de achterzijde van de woning (bouwwerk D) een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit "planologisch strijdig gebruik" als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo.
Kern van de zaak
Een bewoner aan de Roermondse locatie 2 verzocht het college in juli 2020 handhavend op te treden tegen meerdere bouwwerken op het naastgelegen perceel. Het college verleende voor twee bouwwerken een omgevingsvergunning maar trad niet op tegen de overige. De zaak belandde via bezwaar en beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State behandelt het hoger beroep van appellant, waarbij de rechtbank de besluiten al had vernietigd maar appellant bezwaar maakt tegen de motivering. De precieze eindbeslissing is op basis van de beschikbare tekst onvolledig weergegeven; wel staat vast dat het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet meebrengt dat de Wabo (oud recht) van toepassing blijft op dit geschil.
Impactscore
LaagDe zaak betreft een feitelijk en procedureel geschil over handhaving en vergunningverlening in een individuele burenruzie; het overgangsrechtelijke kader is reeds gevestigd en de uitspraak stelt geen nieuwe rechtsnormen. De beschikbare tekst is bovendien onvolledig.
Belangrijkste punten
- 1Overgangsrecht: verzoek om handhaving (7 juli 2020) en aanvraag omgevingsvergunning (8 oktober 2020) zijn beide ingediend vóór inwerkingtreding Omgevingswet, waardoor oud Wabo-recht van toepassing blijft tot onherroepelijkheid.
- 2Het handhavingsverzoek heeft betrekking op acht afzonderlijke bouwwerken (A t/m H) op het naastgelegen perceel.
- 3Het college verleende een omgevingsvergunning voor planologisch strijdig gebruik (art. 2.1 lid 1 onder c Wabo) voor bouwwerken A en D, maar niet voor bouwwerk B.
- 4Appellant betoogt dat de aanvraag ook bouwwerk B omvatte en dat het college daarmee niet volledig op de aanvraag heeft beslist.
- 5De rechtbank had de besluiten al vernietigd; het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de motivering van de rechtbank, niet tegen de vernietiging zelf.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de toepassing van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet en verduidelijkt dat de omvang van een omgevingsvergunningaanvraag bepalend is voor de beslissingsplicht van het college. De tekst is echter onvolledig, waardoor de volledige precedentwerking niet met zekerheid kan worden vastgesteld.
Praktische impact
Voor omwonenden die handhavingsverzoeken hebben ingediend vóór 1 januari 2024 blijft de Wabo het relevante kader; zij kunnen niet worden geconfronteerd met een systeemwissel gedurende de lopende procedure. Het college dient volledig te beslissen op alle onderdelen van een ingediende vergunningaanvraag.
Onderwerp-impact
In omgevingsrechtelijke handhavingszaken rond bebouwing is de exacte omvang van de aanvraag cruciaal: een college dat slechts op een deel van de aangevraagde bouwwerken beslist, handelt mogelijk in strijd met zijn beslistplicht.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Raad van State van 9 september 2026 betreft een hoger beroepszaak over handhaving en omgevingsvergunningverlening in Roermond. Een bewoonster verzocht het college in juli 2020 handhavend op te treden tegen acht bouwwerken op het naastgelegen perceel, variërend van een aanbouw en tuinhuis tot een houten constructie voor leilinden en een houtopslagplaats. Het college verleende voor twee van deze bouwwerken (A: bestaande aanbouw en D: nieuwe aanbouw/hobbyruimte) een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo wegens planologisch strijdig gebruik, maar trad niet handhavend op tegen de overige bouwwerken, waaronder bouwwerk B (een constructie van houten palen en liggers met een vast doek). Een centrale preliminaire kwestie is het toepasselijke recht. Omdat zowel het handhavingsverzoek (7 juli 2020) als de aanvraag om omgevingsvergunning (8 oktober 2020) zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024, bepaalt artikel 4.3 aanhef en onder a van de Invoeringswet Omgevingswet dat het oude Wabo-recht van toepassing blijft totdat de besluiten onherroepelijk zijn geworden. De rechtbank had de bestreden besluiten al vernietigd, maar appellant betwist in hoger beroep de dragende motivering van die uitspraak. Zij stelt onder meer dat de rechtbank heeft miskend dat bouwwerk B onderdeel uitmaakte van de vergunningaanvraag en dat het college, door dat bouwwerk buiten de verleende vergunning te laten, niet volledig op de aanvraag heeft beslist. De Raad van State toetst dit betoog, maar de volledige beslissing en motivering zijn op basis van de beschikbare tekst niet volledig weergegeven, waardoor de uiteindelijke uitkomst met enige onzekerheid moet worden bezien.