JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5239Laag28/100

Hondenfokkerij geweigerd wegens strijd met bestemmingsplan buitengebied

ECLI:NL:RVS:2026:5239, Raad van State, 09-09-2026, 202303007/1/R2

Raad van StateUitspraak: 9 september 2026Publicatie: 4 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:202303007/1/R2
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht
Omgevingsrecht
Handhaving
Vergunningen
Ruimtelijke Ordening
Omgevingsvergunning
Overgangsrecht Omgevingswet
Agrarische Bestemming
Hondenfokkerij
Bestemmingsplan Buitengebied

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 30 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Best een omgevingsvergunning voor de varkenshouderij, een KI-station en een hondenfokkerij aan de [locatie] in Best geweigerd. FCN en [appellant] exploiteren de veehouderij aan de [locatie] in Best. Zij hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor de varkenshouderij, een KI-station en een hondenfokkerij. Het college heeft deze omgevingsvergunning onder andere geweigerd, omdat een hondenfokkerij in strijd is met het bestemmingsplan "Buitengebied Best 2002" (het bestemmingsplan). FCN en [appellant] zijn het niet eens met dit besluit. De rechtbank heeft onder andere overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een hondenfokkerij aan de [locatie] in Best in strijd is met het bestemmingsplan. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat die gronden uitsluitend bestemd zijn voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Volgens de rechtbank voldoet een hondenfokkerij niet aan de begripsomschrijving van een grondgebonden agrarisch bedrijf.

Kern van de zaak

FCN en een medeondernemer exploiteren een veehouderij in Best en vroegen een omgevingsvergunning aan voor een varkenshouderij, KI-station én hondenfokkerij. Het college weigerde de vergunning voor de hondenfokkerij omdat die in strijd is met het bestemmingsplan dat uitsluitend grondgebonden agrarisch gebruik toestaat. FCN en appellant gingen hiertegen in beroep.

Beslissing van de rechter

De Raad van State behandelt het hoger beroep van FCN en appellant tegen de uitspraak van de rechtbank; de rechtbank had het beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd wegens gebrekkige motivering omtrent artikel 2.21 Wabo. De doorslaggevende reden voor de weigering van de hondenfokkerij blijft dat deze activiteit niet valt onder de begripsomschrijving van een grondgebonden agrarisch bedrijf in het bestemmingsplan. Opmerking: de uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing van de Raad van State zelf niet volledig kan worden vastgesteld.

28van 100

Impactscore

Laag

De uitspraak past bestaande rechtspraak toe over de reikwijdte van agrarische bestemmingen en het overgangsrecht Omgevingswet, zonder fundamenteel nieuwe rechtsnormen te stellen. De praktische reikwijdte is beperkt tot vergelijkbare gevallen van gemengde omgevingsvergunningaanvragen in buitengebiedbestemmingen.

Belangrijkste punten

  • 1Op de aanvraag (ingediend 6 mei 2020) blijft de oude Wabo van toepassing op grond van het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet.
  • 2Het bestemmingsplan 'Buitengebied Best 2002' laat uitsluitend grondgebonden agrarisch gebruik toe; een hondenfokkerij valt hier niet onder.
  • 3De aangevraagde activiteiten (varkenshouderij, KI-station, hondenfokkerij) hangen niet onlosmakelijk samen, waardoor artikel 2.21 Wabo relevant is voor afzonderlijke behandeling.
  • 4De rechtbank vernietigde het college-besluit wegens ondeugdelijke motivering omtrent de toepassing van artikel 2.21 Wabo, niet vanwege de inhoudelijke weigering.
  • 5De uitspraak illustreert het belang van correcte motivering bij geweigerde onderdelen van gecombineerde omgevingsvergunningaanvragen.

Impactanalyse

Juridische impact

De zaak verduidelijkt de toepassing van overgangsrecht bij de invoering van de Omgevingswet en bevestigt dat een hondenfokkerij niet kwalificeert als grondgebonden agrarisch bedrijf in de zin van een buitengebiedbestemming. Tevens onderstreept de uitspraak de motiveringsverplichting bij de weigering van samenhangende maar niet onlosmakelijk verbonden activiteiten onder artikel 2.21 Wabo.

Praktische impact

Agrariërs die nevenfuncties zoals een hondenfokkerij willen toevoegen aan hun bedrijf moeten rekening houden met een strikte uitleg van de agrarische bestemming en dienen planologische medewerking (afwijking of bestemmingsplanwijziging) te verzoeken. Bestuursorganen worden gehouden aan een deugdelijke motivering wanneer zij bij niet-onlosmakelijk samenhangende activiteiten kiezen om wel of geen toepassing te geven aan artikel 2.21 Wabo.

Onderwerp-impact

Voor de agrarische sector bevestigt deze uitspraak dat diversificatieactiviteiten die niet grondgebonden zijn, doorgaans buiten de reikwijdte van een agrarische bestemming in het buitengebied vallen en een aparte planologische procedure vereisen.

Samenvatting

FCN en haar medeondernemer exploiteren een veehouderij aan de locatie in Best en dienden op 6 mei 2020 een aanvraag in voor een omgevingsvergunning die zowel een varkenshouderij, een KI-station als een hondenfokkerij omvatte. Het college van burgemeester en wethouders weigerde de vergunning voor de hondenfokkerij omdat deze activiteit in strijd is met het bestemmingsplan 'Buitengebied Best 2002', dat de gronden uitsluitend bestemt voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Een hondenfokkerij voldoet niet aan deze begripsomschrijving. In beroep oordeelde de rechtbank dat het college inhoudelijk juist had gehandeld door de hondenfokkerij te weigeren, maar dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd op het punt van artikel 2.21 Wabo. Omdat de aangevraagde activiteiten niet onlosmakelijk met elkaar samenhangen, had het college moeten toelichten waarom het geen toepassing gaf aan dat artikel. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit. In de procedure bij de Raad van State staat centraal of de rechtbank terecht heeft geoordeeld over de strijdigheid met het bestemmingsplan. Relevant is tevens het overgangsrecht: omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 werd ingediend, blijft de Wabo zoals die gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing. De uitspraak van de Raad van State is door de onvolledige tekst niet volledig te beoordelen, maar de zaak bevestigt in ieder geval dat een hondenfokkerij buiten het begrip 'grondgebonden agrarisch bedrijf' valt en dat bestuursorganen bij gecombineerde aanvragen met niet-onlosmakelijk verbonden activiteiten een deugdelijke motivering moeten geven omtrent de toepassing van artikel 2.21 Wabo.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 9 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied