JurispRadar
ECLI:NL:RVS:2026:5198Hoog58/100

Raad van State vernietigt intrekking asielvergunning Iraniër deels

ECLI:NL:RVS:2026:5198, Raad van State, 04-09-2026, BRS.25.000370

Raad van StateUitspraak: 4 september 2026Publicatie: 2 september 2026
Procedure:Hoger beroep
Zaaknummer:BRS.25.000370
Bestuursrecht
Europees bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Overheid
Vergunningen
Openbare Orde
Asielvergunning
Intrekking Verblijfsvergunning
Tadmur
Vertrekplicht

Inhoudsindicatie

(officieel, Rechtspraak.nl)

Bij besluit van 30 juli 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie de aan betrokkene verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken, een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd te verlenen, afgewezen, betrokkene laten weten dat op hem een vertrekplicht rust en hem in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd (besluit tot signalering).

Kern van de zaak

Een Iraanse asielzoeker met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (verleend 2013) vroeg een vergunning voor onbepaalde tijd aan. De minister wees dit af en trok de tijdelijke vergunning in wegens negentien veroordelingen, waaronder poging tot doodslag. De rechtbank vernietigde dat besluit wegens ondeugdelijke motivering; de minister ging in hoger beroep.

Beslissing van de rechter

De Raad van State verklaart het hoger beroep van de minister gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank, maar vernietigt het besluit van 30 juli 2024 partieel: uitsluitend het onderdeel dat een vertrekplicht oplegt aan betrokkene wordt vernietigd. Doorslaggevend is vermoedelijk de toepassing van het HvJ EU-arrest Tadmur (26 maart 2026) over de vereisten voor het opleggen van een vertrekplicht in het licht van de openbare orde-dreiging.

58van 100

Impactscore

Hoog

De uitspraak is de eerste bekende toepassing door de Raad van State van het HvJ EU-arrest Tadmur (2026) in de Nederlandse asielrechtspraktijk en raakt een structureel punt in de motivering van openbare-ordebesluiten; dit heeft richtinggevende werking voor vergelijkbare zaken.

Belangrijkste punten

  • 1Betrokkene is veroordeeld voor negentien misdrijven, waaronder poging tot doodslag; de minister beschouwt dit als bijzonder ernstig misdrijf in de zin van Vc 2000 C2/7.10.1.
  • 2De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat betrokkene een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.
  • 3De Raad van State betrekt het HvJ EU-arrest Tadmur (ECLI:EU:C:2026:257) bij de beoordeling, in het bijzonder punt 44 over gevolgen voor de verblijfsstatus.
  • 4Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, maar het besluit wordt slechts partieel vernietigd: de vertrekplicht voor betrokkene wordt onrechtmatig geacht.
  • 5De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten (€ 1.868,00) voor de beroepsprocedure bij de rechtbank.

Impactanalyse

Juridische impact

De uitspraak past het recente HvJ EU-arrest Tadmur toe in de Nederlandse asielrechtspraak en verduidelijkt dat het opleggen van een vertrekplicht bij intrekking van een asielvergunning een zelfstandige, deugdelijk gemotiveerde grondslag vereist. Dit heeft gevolgen voor de wijze waarop de minister openbare-ordebesluiten in asielzaken motiveert en uitvoert.

Praktische impact

Betrokkene behoudt vooralsnog zijn verblijf in Nederland nu de vertrekplicht is vernietigd, ondanks de gegrondverklaring van het hoger beroep van de minister. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen dat voldoet aan de vereisten van het Tadmur-arrest voor het eventueel opleggen van een vertrekplicht.

Onderwerp-impact

In asielzaken waarbij sprake is van intrekking op openbare-ordegronden moet de overheid voortaan extra zorgvuldig motiveren of en waarom een vertrekplicht wordt opgelegd, los van de vraag of de vergunning zelf kan worden ingetrokken.

Samenvatting

Deze zaak betreft een Iraanse man (geboren 1990) die in 2013 een asielvergunning voor bepaalde tijd ontving op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000. Toen hij in 2022 een aanvraag indiende voor een vergunning voor onbepaalde tijd, wees de minister die aanvraag af en trok tevens de bestaande tijdelijke vergunning in. Reden: betrokkene zou door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormen voor een fundamenteel belang van de samenleving, gelet op negentien strafrechtelijke veroordelingen – waaronder poging tot doodslag, een 'bijzonder ernstig misdrijf' in de zin van de Vreemdelingencirculaire. De rechtbank Den Haag (zittingsplaats Zwolle) vernietigde het besluit van 30 juli 2024 wegens een motiveringsgebrek: de minister had onvoldoende aangetoond dat betrokkene nog steeds een actuele en voldoende ernstige dreiging vormt. De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling vroeg partijen te reageren op het HvJ EU-arrest Tadmur van 26 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:257), dat raakt aan de vereisten voor verblijfsrechtelijke gevolgen bij openbare-ordebesluiten. Na weging van alle argumenten verklaart de Raad van State het hoger beroep van de minister gegrond en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Tegelijkertijd wordt het besluit van de minister partieel vernietigd: uitsluitend het onderdeel dat een vertrekplicht aan betrokkene oplegt. Dit impliceert dat de Afdeling – in het licht van Tadmur – oordeelt dat het opleggen van een vertrekplicht in dit geval niet (voldoende) houdbaar is gemotiveerd, ook al kan de intrekking van de vergunning op zichzelf stand houden. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.868,00. De zaak illustreert hoe recente Europese rechtspraak direct doorwerkt in de Nederlandse vreemdelingenrechtpraktijk en de lat verhoogt voor de motivering van vertrekverplichtingen bij asielhouders met een openbare-ordeachtergrond.

Bron: Rechtspraak.nl Open Data· Geanalyseerd op 10 september 2026 met claude-sonnet-4-6
Originele uitspraak

Meer Bestuursrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5339, Raad van State, 09-09-2026, 202500974/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5326Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5326, Raad van State, 09-09-2026, 202505339/1/R3

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5361Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5361, Raad van State, 09-09-2026, 202503177/1/R1

Raad van State9 sep 2026VastgoedVergunningen
18/100Bekijk
ECLI:NL:RVS:2026:5354Laag
Bestuursrecht
Bestuursprocesrecht

ECLI:NL:RVS:2026:5354, Raad van State, 09-09-2026, 202406781/1/A3

Raad van State9 sep 2026OverheidVergunningen
18/100Bekijk
Alle uitspraken in dit rechtsgebied