Hoger beroep vreemdelingenzaak ongegrond verklaard door RvS
ECLI:NL:RVS:2026:517, Raad van State, 29-01-2026, 202404578/1/V3
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 21 maart 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Kern van de zaak
Een vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een vreemdelingenrechtelijke zaak. De exacte onderliggende feiten zijn niet volledig weergegeven in de beschikbare tekst.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling oordeelde dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden, zodat een verdere motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 achterwege kon blijven.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaard verkorte afdoening op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsvragen of richtinggevende overwegingen, en heeft uitsluitend gevolgen voor de individuele appellant.
Belangrijkste punten
- 1De Raad van State past de verkorte motiveringsgrond van artikel 91 lid 2 Vw 2000 toe: geen vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming.
- 2De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank (overweging 6) integraal over.
- 3De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 4De uitspraak is gedaan door een enkelvoudige kamer, wat wijst op een relatief eenvoudige of niet-complexe zaak.
- 5De volledige feitelijke achtergrond van de zaak is niet kenbaar uit de beschikbare uitspraaktekst, wat de analyse beperkt.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak heeft geen zelfstandige juridische impact buiten de individuele zaak, nu artikel 91 lid 2 Vw 2000 expliciet is toegepast en geen rechtsvragen van algemeen belang zijn beantwoord. De uitspraak bevestigt slechts de bestaande rechtspraktijk van verkorte afdoening in vreemdelingenzaken.
Praktische impact
Voor de appellant betekent de bevestiging van de rechtbankuitspraak dat het eerder genomen besluit van de minister in stand blijft en er geen proceskostenveroordeling volgt. Verdere rechtsmiddelen zijn in beginsel niet meer beschikbaar.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenrechtelijke procedures bevestigt deze uitspraak het gangbare gebruik van de verkorte afdoeningsgrond, waardoor individuele zaken zonder bredere precedentwerking worden afgedaan.
Samenvatting
In deze vreemdelingenrechtelijke zaak stelde een appellant, bijgestaan door mr. S.C. van Paridon, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. De volledige feitelijke achtergrond van het geschil is niet kenbaar uit de beschikbare uitspraaktekst, maar het betreft een zaak die valt onder de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling heeft het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Daarbij heeft de Afdeling de motivering van de rechtbank onder overweging 6 integraal overgenomen, zonder deze zelfstandig verder uit te werken. De grondslag voor deze beknopte afdoening is artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000: het hogerberoepschrift bevatte geen vragen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoefden. Dit is een veelgebruikte wettelijke grondslag in vreemdelingenzaken die de Raad van State in staat stelt zaken zonder uitgebreide motivering af te doen wanneer de zaak geen bredere juridische relevantie heeft. De minister wordt niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gewezen door een enkelvoudige kamer, hetgeen onderstreept dat de zaak als niet bijzonder complex werd aangemerkt. Gelet op de toepassing van de verkorte motiveringsgrond heeft deze uitspraak geen precedentwerking en beperkt de impact zich volledig tot de individuele appellant, voor wie de beslissing van de minister definitief in stand blijft.