Raad van State vernietigt besluit Beverwijk over bestemmingsplanstrijdig gebruik
ECLI:NL:RVS:2026:5169, Raad van State, 02-09-2026, 202307677/1/R1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 28 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk aan [appellant] en anderen medegedeeld dat een door hen ingediende ingebrekestelling ten aanzien van het niet tijdig beslissen op hun handhavingsverzoek prematuur is en daarom niet in behandeling zal worden genomen. Bij besluit van 10 december 2020 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellant] en anderen met betrekking tot de aanleg van een verharding en een aarden wal met een kunststofbuis op het perceel aan de [locatie A] in Beverwijk afgewezen. Op het perceel aan de [locatie A] werd voorheen een agrarisch bedrijf geëxploiteerd. [partij A] en [partij B] zijn eigenaar van dit perceel. [appellant] en anderen wonen aan de Creutzberglaan in Beverwijk aan de oostzijde van het perceel. [partij A] en [partij B] hebben ter hoogte van de percelen van [appellant] en anderen een verharding, een aarden wal en een kunststof buis aangelegd en bomen en coniferen aangeplant. [appellant] en anderen zijn het daar niet mee eens.
Kern van de zaak
Omwonenden in Beverwijk tekenden bezwaar aan tegen met het bestemmingsplan strijdige activiteiten op een nabijgelegen perceel. Na ongegrondverklaring van hun bezwaar door het college van B&W stapten zij naar de rechter. De rechtbank Noord-Holland verklaarde een deel van het beroep niet-ontvankelijk, waarna appellanten in hoger beroep gingen bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond en vernietigt zowel de mondelinge uitspraak van de rechtbank (gedeeltelijk) als het besluit van het college van B&W van Beverwijk voor zover het bezwaar over het gebruik van het perceel ongegrond was verklaard. Doorslaggevend is dat appellanten voldoende procesbelang hebben vanwege gestelde waardevermindering van hun woningen, en dat de rechtbank ten onrechte bepaalde appellanten niet de kans heeft geboden een gebrek in de machtiging te herstellen.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft lokale betekenis voor de betrokken partijen en bevestigt bestaande jurisprudentielijnen over procesbelang en herstelmogelijkheden, maar stelt geen fundamenteel nieuw rechtsregel vast.
Belangrijkste punten
- 1Procesbelang kan worden aangenomen op basis van gestelde waardevermindering van woningen door bestemmingsplanstrijdig gebruik, ook na verhuizing tijdens de procedure.
- 2De nieuwe jurisprudentielijn (RvS 5 juni 2024) dat vergoeding van bezwaarkosten alleen onvoldoende is voor procesbelang, werd door appellanten betwist wegens strijd met artikel 6 EVRM en het vertrouwensbeginsel.
- 3De rechtbank had appellanten de gelegenheid moeten bieden een gebrek in de machtiging te herstellen alvorens hun beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
- 4De Afdeling past artikel 8:116 Awb toe en doet de zaak zonder terugwijzing naar de rechtbank af.
- 5Het besluit van het college van B&W van Beverwijk van 30 april 2021 wordt vernietigd voor zover het bezwaar over het gebruik van het perceel ongegrond werd verklaard.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat waardevermindering van woningen als zelfstandige grond voor procesbelang kan gelden, ook indien appellanten zijn verhuisd. Tevens onderstreept de Raad van State de herstelmogelijkheid bij gebreken in machtigingen als procedurele waarborg.
Praktische impact
Omwonenden van Beverwijk die schade stellen te lijden door bestemmingsplanstrijdig gebruik krijgen alsnog een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaar. Het college van B&W moet opnieuw beslissen op het bezwaar over het gebruik van het betreffende perceel.
Onderwerp-impact
Gemeenten dienen bij handhaving van bestemmingsplannen rekening te houden met de mogelijkheid dat omwonenden op basis van waardevermindering procesbelang kunnen aantonen, zelfs na verhuizing.
Samenvatting
In deze zaak hadden omwonenden van een perceel in Beverwijk bezwaar gemaakt tegen activiteiten die in strijd waren met het geldende bestemmingsplan. Nadat het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk hun bezwaar ongegrond had verklaard, stelden zij beroep in bij de rechtbank Noord-Holland. De rechtbank verklaarde het beroep van een deel van de appellanten niet-ontvankelijk, onder meer omdat zij geen geldige machtiging hadden overgelegd, en beoordeelde het overige beroep inhoudelijk. Appellanten gingen in hoger beroep bij de Raad van State. De centrale juridische vragen betroffen ten eerste het procesbelang van appellanten — met name na verhuizing en gelet op de gewijzigde jurisprudentielijn van 5 juni 2024 — en ten tweede de vraag of de rechtbank appellanten de mogelijkheid had moeten bieden een gebrek in de machtiging te herstellen. De Raad van State oordeelt dat appellanten voldoende procesbelang hebben, omdat zij aanvoeren schade te lijden door waardevermindering van hun woningen als gevolg van het bestemmingsplanstrijdige gebruik. Dat zij inmiddels zijn verhuisd, doet hier niet aan af. Ten aanzien van de nieuwe jurisprudentielijn over procesbelang en bezwaarkosten laat de Afdeling ruimte voor de stelling dat toepassing van die nieuwe lijn op reeds ingesteld hoger beroep mogelijk spanning oplevert met artikel 6 EVRM en het vertrouwensbeginsel. Verder had de rechtbank appellanten die geen geldige machtiging hadden ingediend, de kans moeten geven dit gebrek te herstellen alvorens hun beroep niet-ontvankelijk te verklaren. Met toepassing van artikel 8:116 Awb doet de Afdeling de zaak zelf af zonder terugwijzing. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de mondelinge uitspraak van de rechtbank wordt gedeeltelijk vernietigd, en het besluit van het college van 30 april 2021 wordt vernietigd voor zover het bezwaar over het gebruik van het perceel ongegrond was verklaard. Het college van B&W van Beverwijk zal opnieuw moeten beslissen op dit onderdeel van het bezwaar.