Provincie en drinkwaterbedrijf erkend als belanghebbenden bij aardwarmtevergunning
ECLI:NL:RVS:2026:5167, Raad van State, 02-09-2026, 202405625/1/R4 en 202405628/1/R4
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 17 augustus 2021 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (nu: de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, beiden: de staatssecretaris) een opsporingsvergunning aardwarmte verleend aan Shell Geothermal B.V. (nu: OMV GeoTherm NL B.V. (OMV)) en aan D4 B.V. (D4) voor het gebied Rijnland. Bij besluiten van 8 juni 2022 heeft de staatssecretaris de bezwaren van Zuid-Holland en Dunea niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen feitelijke gevolgen zouden zijn voor hun belangen of voor de aan hen toevertrouwde belangen. Volgens de staatssecretaris zijn zij daarom geen belanghebbenden. De rechtbank heeft geoordeeld dat Zuid-Holland en Dunea wel belanghebbenden zijn. Zij heeft hun beroepen daarom gegrond verklaard, de besluiten van 8 juni 2022 vernietigd en de staatssecretaris de opdracht gegeven om binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren. De staatssecretaris, Wayland en Yeager zijn van mening dat Zuid-Holland en Dunea geen belanghebbenden zijn en hebben daarom hoger beroep ingesteld.
Kern van de zaak
Shell Geothermal (nu OMV), Eavor, Wayland en Yeager kregen opsporingsvergunningen voor aardwarmte in het Rijnlandgebied. Provincie Zuid-Holland en drinkwaterbedrijf Dunea maakten bezwaar, maar de staatssecretaris verklaarde hen niet-ontvankelijk wegens ontbreken van belanghebbendheid. De rechtbank oordeelde anders, waarna de staatssecretaris en vergunninghouders in hoger beroep gingen bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt het oordeel van de rechtbank dat Zuid-Holland en Dunea belanghebbenden zijn bij de opsporingsvergunningen voor aardwarmte. De beroepen tegen de nadere besluiten van 28 oktober 2024 worden ongegrond verklaard, en de staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van Zuid-Holland.
Impactscore
HoogDe Raad van State geeft een principieel oordeel over de reikwijdte van belanghebbendheid bij opsporingsvergunningen voor aardwarmte, met directe gevolgen voor de wijze waarop geothermische vergunningprocedures worden gevoerd en welke partijen daarin kunnen participeren.
Belangrijkste punten
- 1De staatssecretaris had Zuid-Holland en Dunea ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in hun bezwaar wegens gebrek aan belanghebbendheid.
- 2Het argument dat een opsporingsvergunning slechts marktordenend karakter heeft en geen feitelijke gevolgen kent, wordt verworpen.
- 3Zuid-Holland en Dunea hebben als provincie respectievelijk drinkwaterbedrijf een actueel en rechtstreeks geraakt belang bij opsporingsactiviteiten voor aardwarmte in het Rijnlandgebied.
- 4De Raad van State bevestigt de vernietiging van de besluiten van 8 juni 2022 en de verplichting tot heroverweging.
- 5De staatssecretaris wordt veroordeeld in proceskosten; Wayland ontvangt een terugbetaling van te veel betaald griffierecht van € 559,00.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat ook opsporingsvergunningen met een marktordenend karakter feitelijke gevolgen kunnen hebben die decentrale overheden en publieke nutsbedrijven als belanghebbenden kwalificeren. Dit verruimt de toegang tot bezwaar en beroep in het mijnbouwrecht.
Praktische impact
Provincies en drinkwaterbedrijven kunnen voortaan als belanghebbenden optreden bij de verlening van opsporingsvergunningen voor aardwarmte, wat hen meer invloed geeft op vroege fasen van geothermische projecten die hun grondgebied of waterwingebieden raken.
Onderwerp-impact
Voor de geothermische energiesector betekent dit dat vergunningprocedures langer en complexer kunnen worden door actievere betrokkenheid van provincies en drinkwaterbedrijven als formele belanghebbenden.
Samenvatting
Deze zaak draait om de vraag of de provincie Zuid-Holland en drinkwaterbedrijf Dunea als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt bij opsporingsvergunningen voor aardwarmte (geothermie) in het Rijnlandgebied. In 2021 verleende de staatssecretaris opsporingsvergunningen aan OMV (voorheen Shell Geothermal), D4, Eavor, Wayland en Yeager. Toen Zuid-Holland en Dunea bezwaar maakten, werden zij door de staatssecretaris niet-ontvankelijk verklaard: een opsporingsvergunning zou slechts een marktordenend karakter hebben en geen feitelijke gevolgen voor hun belangen teweegbrengen. De rechtbank oordeelde in eerste aanleg dat dit standpunt onjuist was en dat Zuid-Holland en Dunea wél belanghebbenden zijn. De staatssecretaris, Wayland en Yeager stelden hoger beroep in bij de Raad van State, met als kernargument dat de rechtbank een verkeerd toetsingskader had toegepast en dat eventuele belangen pas bij latere vergunningverlening – zoals een winningsvergunning – in het geding komen. De Raad van State volgt dit betoog niet. Het oordeel van de rechtbank wordt bevestigd: de opsporingsvergunningen kunnen wel degelijk feitelijke gevolgen hebben voor de belangen van de provincie en het drinkwaterbedrijf, zodat sprake is van een actueel en rechtstreeks geraakt belang dat hen de hoedanigheid van belanghebbende geeft. De beroepen die Zuid-Holland en Dunea instelden tegen de nadere besluiten van 28 oktober 2024 – die de staatssecretaris moest nemen na de rechterlijke opdracht – worden ongegrond verklaard, wat impliceert dat de inhoudelijke heroverweging op dat moment wel deugdelijk was. De staatssecretaris wordt veroordeeld in de proceskosten van Zuid-Holland. De uitspraak is van belang voor de geothermische sector omdat zij de rechtspositie van provincies en drinkwaterbedrijven in vroege fasen van energieprojecten versterkt.