Gedupeerde ouder krijgt vergoeding afgeloste bankschuld toeslagenaffaire
ECLI:NL:RVS:2026:5159, Raad van State, 02-09-2026, 202503510/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 13 april 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd om een al betaalde private schuld van [appellant] te compenseren. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister. [appellant] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Op 28 juli 2021 heeft hij € 30.000,00 ontvangen van de zogenoemde Catshuisregeling, zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. Met dit bedrag heeft hij op dezelfde dag een bankschuld aan ING-bank van € 24.900,00 afgelost. [appellant] heeft verzocht om compensatie voor de afgeloste bankschuld, zoals bedoeld in artikel 4.3 van de Wht. De schuld is een doorlopend krediet, die op grond van de Wht wordt aangemerkt als een financieel product. De minister heeft zijn verzoek afgewezen, omdat volgens de minister niet gebleken is van betalingsachterstanden bij het terugbetalen van de doorlopende kredieten.
Kern van de zaak
Een als gedupeerd aangemerkte ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire ontving €30.000 via de Catshuisregeling en loste daarmee een bankschuld van €24.900 bij ING af. Hij vroeg vergoeding van deze afgeloste schuld op grond van artikel 4.3 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister weigerde of betwistte de vergoeding, waarna de zaak bij de Raad van State belandde.
Beslissing van de rechter
De uitspraak is onvolledig aangeleverd, waardoor de uiteindelijke beslissing niet met zekerheid kan worden vastgesteld. Op basis van de overwegingen lijkt de kern van het geschil te draaien om de vraag of de afgeloste ING-bankschuld voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.1 en 4.3 Wht voor vergoeding van al afgeloste private schulden.
Impactscore
LaagHet betreft een individuele toepassing van bestaande Wht-regelgeving op een specifieke casus; de tekst is onvolledig en bevat geen fundamentele rechtsvraag die bredere precedentwerking heeft.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 4.3 Wht biedt compensatie voor private schulden die zijn afgelost ná ontvangst van een herstelmaatregel, mits de schuld anders voor overname in aanmerking zou zijn gekomen.
- 2De schuld moet op grond van artikel 4.1 lid 2 Wht zijn ontstaan na 31 december 2005 en vóór 1 juni 2021 opeisbaar zijn geweest.
- 3De ING-bankschuld betreft een doorlopend krediet uit 2013 (€30.000), waarvan €24.900 op 28 juli 2021 is afgelost met Catshuisgeld.
- 4De uitvoering van de schuldenregeling is verschoven van Belastingdienst/Toeslagen naar de minister, wat processuele relevantie heeft voor de aanspreekbaarheid.
- 5De uitspraaktekst is onvolledig, waardoor de definitieve beslissing en motivering niet volledig beoordeeld kunnen worden.
Impactanalyse
Juridische impact
De zaak verduidelijkt de toepassingsvoorwaarden van artikel 4.3 Wht voor vergoeding van al afgeloste private schulden bij gedupeerden van de toeslagenaffaire. De uitkomst is op basis van de beschikbare tekst niet volledig te beoordelen.
Praktische impact
Voor gedupeerde ouders die met Catshuisgeld private schulden hebben afgelost, is dit relevant voor de vraag of zij aanspraak kunnen maken op vergoeding via de Wht-schuldenregeling.
Onderwerp-impact
De zaak raakt de uitvoering van de hersteloperatie toeslagen en de reikwijdte van de schuldenovernameregelingen voor gedupeerde ouders.
Samenvatting
Deze uitspraak van de Raad van State betreft een gedupeerde ouder uit de kinderopvangtoeslagaffaire die aanspraak maakt op vergoeding van een afgeloste bankschuld op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De appellant ontving op 28 juli 2021 een bedrag van €30.000 via de zogenoemde Catshuisregeling, zoals bedoeld in artikel 2.7 Wht. Op dezelfde dag loste hij een doorlopend krediet bij de ING-bank, afgesloten in 2013, af voor een bedrag van €24.900. De resterende schuld werd op 2 augustus 2021 volledig voldaan. De juridische vraag spitst zich toe op de toepasselijkheid van artikel 4.3 Wht, dat voorziet in compensatie voor private schulden die zijn afgelost ná ontvangst van een herstelmaatregel. Daarvoor is vereist dat de betreffende schuld, indien niet voldaan, op grond van artikel 4.1 Wht voor overname in aanmerking zou zijn gekomen. Artikel 4.1 lid 2 Wht stelt als voorwaarden dat de schuld is ontstaan na 31 december 2005, vóór 1 juni 2021 opeisbaar was en op het moment van aanvraag niet was voldaan. Aan deze laatste voorwaarde kon de appellant formeel niet voldoen, omdat hij de schuld juist had afgelost — hetgeen de spanning met artikel 4.3 Wht illustreert. De uitvoering van de schuldenregeling is inmiddels van Belastingdienst/Toeslagen overgedragen aan de minister, die in deze procedure de wederpartij vormt. De aangeleverde uitspraaktekst is onvolledig, zodat de uiteindelijke beslissing en motivering van de Raad van State niet volledig kunnen worden beoordeeld. Op basis van de beschikbare informatie lijkt het een individuele toepassingsvraag van bestaande herstelwetgeving, zonder bredere precedentwerking.