Student mag verplicht uitwisseling niet vervangen door alternatief
ECLI:NL:RVS:2026:5158, Raad van State, 02-09-2026, 202601539/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij beslissing van 13 oktober 2025 heeft de examencommissie van de School of Business and Economics een verzoek van [appellant] om vervanging van een verplicht uitwisselingsprogramma door een alternatief onderwijsprogramma afgewezen. Bij beslissing van 10 april 2026 heeft het het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit Amsterdam het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] volgt in het jaar 2025-2026 de opleiding International Business Administration aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Op grond van artikel 12.1, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Onderwijs- en Examenregeling SBE 2025-2026 (OER) zijn studenten van deze opleiding verplicht om één semester aan een buitenlandse universiteit studeren. [appellant] heeft verzocht om dit verplichte onderdeel te mogen vervangen door een alternatief onderwijsprogramma. Hij heeft daartoe aangedragen dat het uitwisselingsonderdeel moeilijk te combineren is met zijn eigen bedrijf, waarvoor hij aan kinderen skiles op topsportniveau geeft gedurende acht tot twaalf weken per jaar in Oostenrijk.
Kern van de zaak
Een student International Business Administration aan de VU Amsterdam verzocht de examencommissie om het verplichte buitenlandse uitwisselingssemester te mogen vervangen door een alternatief programma. Als reden voerde hij aan dat de uitwisseling moeilijk te combineren is met zijn eigen skischool in Oostenrijk. Zowel de examencommissie als het College van Beroep voor de Examens (CBE) wezen zijn verzoek af.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bevestigt de afwijzing van het verzoek om vrijstelling van het verplichte uitwisselingssemester; het beroep op de hardheidsclausule is onvoldoende onderbouwd. Doorslaggevend is dat de bedrijfsomstandigheden van appellant reeds bestonden bij aanvang van de studie en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat deelname aan het uitwisselingsprogramma (eventueel in Oostenrijk zelf) feitelijk onmogelijk is.
Impactscore
LaagDe uitspraak past binnen bestaande jurisprudentie over de toetsing van examencommissiebeslissingen en introduceert geen nieuwe rechtsnormen; de impact is primair bevestigend van aard en beperkt tot individuele studieprogrammageschillen.
Belangrijkste punten
- 1Het verplichte uitwisselingssemester is als wezenlijk inhoudelijk onderdeel vastgelegd in de OER en vormt een in beginsel niet-substitueerbaar programmaonderdeel.
- 2De examencommissie hanteert beleid waarbij uitzonderingen uitsluitend worden overwogen bij ernstige persoonlijke omstandigheden die ná aanvang van de studie zijn ontstaan.
- 3De bedrijfsactiviteiten van appellant (skiles in Oostenrijk) bestonden al bij de start van de opleiding en kwalificeren daarom niet als uitzonderingsgrond.
- 4Appellant heeft niet concreet onderbouwd welke problemen voor zijn bedrijf zouden ontstaan bij deelname aan het uitwisselingsprogramma, noch dat bedrijfsvoering vanuit het buitenland onmogelijk is.
- 5Het door de examencommissie aangedragen alternatief – uitwisseling in Oostenrijk – is door appellant evenmin deugdelijk weerlegd als niet-reële optie.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat examencommissies en CBE's een ruime beoordelingsruimte hebben bij de toepassing van hardheidsclausules en dat beleidsregels die uitzonderingen beperken tot omstandigheden ontstaan ná aanvang van de studie rechtsgeldig zijn. Studenten die bij inschrijving reeds bekende persoonlijke omstandigheden aanvoeren, staan voor een hoge drempel om vrijstelling van verplichte programmaonderdelen te verkrijgen.
Praktische impact
Voor studenten betekent dit dat pre-existente persoonlijke of zakelijke omstandigheden in beginsel geen grond vormen voor vrijstelling van verplichte onderwijsonderdelen; zij dienen bij inschrijving te beoordelen of zij aan alle programmaverplichtingen kunnen voldoen. Onderwijsinstellingen worden bevestigd in hun bevoegdheid om strikt beleid te voeren rondom hardheidsclausules.
Onderwerp-impact
Onderwijsinstellingen kunnen hun OER-verplichtingen stringent handhaven en hoeven geen alternatieve programma's aan te bieden voor studenten wiens belemmeringen al bestonden vóór aanvang van de studie, mits zij een redelijk alternatief (zoals uitwisseling in het land van de bedrijfsactiviteiten) hebben aangeboden.
Samenvatting
In deze zaak staat de vraag centraal of een student aan de Vrije Universiteit Amsterdam het verplichte buitenlandse uitwisselingssemester van de opleiding International Business Administration mocht vervangen door een alternatief programma. De student exploiteert een eigen bedrijf waarbij hij gedurende acht tot twaalf weken per jaar skiles op topsportniveau geeft aan kinderen in Oostenrijk, en stelde dat dit moeilijk te combineren valt met de uitwisselingsverplichting. De examencommissie wees zijn verzoek af op grond van haar beleid dat uitzonderingen op verplichte onderwijsonderdelen uitsluitend worden overwogen bij ernstige persoonlijke omstandigheden die zijn ontstaan ná de start van de opleiding. Omdat de bedrijfsactiviteiten van appellant reeds bestonden bij aanvang van zijn studie, vielen zij buiten het toepassingsbereik van dit beleid. Het College van Beroep voor de Examens handhaafde deze beslissing en oordeelde bovendien dat appellant onvoldoende had onderbouwd welke concrete problemen voor zijn onderneming zouden ontstaan bij deelname aan het uitwisselingsprogramma. Tevens had hij niet aannemelijk gemaakt dat hij zijn bedrijf niet vanuit het buitenland zou kunnen voortzetten, noch had hij deugdelijk weersproken waarom het door de examencommissie aangedragen alternatief – het volgen van het uitwisselingssemester in Oostenrijk zelf – geen reële optie voor hem zou zijn. De Raad van State bevestigt deze oordelen. Het beroep op de hardheidsclausule werd onvoldoende onderbouwd geacht. De uitspraak onderstreept dat examencommissies een ruime beleidsruimte toekomt bij de inrichting en handhaving van verplichte programmaonderdelen, en dat studenten bij inschrijving dienen te beoordelen of zij aan alle programmaverplichtingen kunnen voldoen. Pre-existente persoonlijke of zakelijke omstandigheden leveren in beginsel geen grond op voor vrijstelling.