Schuld gedupeerde toeslagenouder niet overgenomen wegens ontbrekende notariële akte
ECLI:NL:RVS:2026:5154, Raad van State, 02-09-2026, 202502723/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 1 juni 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) haar schuld van € 1.000,00 aan [persoon] over te nemen, afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister, In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister. [appellante] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft bij de minister een schuldenlijst ingediend met verschillende schulden. Zij heeft de minister onder andere verzocht om haar schuld aan [persoon] over te nemen op basis van de Wht.
Kern van de zaak
Een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire verzocht de minister om een private schuld aan een derde over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister weigerde omdat de schuld niet was vastgelegd in een notariële akte en niet vóór 1 juni 2021 opeisbaar was. Appellante ging in beroep en vervolgens in hoger beroep bij de Raad van State.
Beslissing van de rechter
De Raad van State bekrachtigt de uitspraak van de rechtbank: het verzoek tot schuldovername is afgewezen omdat niet is voldaan aan de dwingendrechtelijke eis van een notariële akte als bedoeld in artikel 4.1 Wht. Een legalisatieakte die slechts de handtekeningen authenticeert, is niet gelijk te stellen aan een notariële akte, en de hardheidsclausule hoefde niet te worden toegepast.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft directe relevantie voor alle gedupeerde toeslagenouders met vergelijkbare informele private schulden, maar stelt geen nieuw recht vast en betreft een bevestiging van wettekst en bestaand beleid.
Belangrijkste punten
- 1Artikel 4.1 Wht stelt als dwingendrechtelijke voorwaarde dat een private schuld is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak.
- 2Een onderhandse overeenkomst van geldlening voldoet niet aan dit vereiste, ook niet als de handtekeningen notarieel zijn gelegaliseerd.
- 3Een legalisatieakte authenticeert uitsluitend handtekeningen en is juridisch niet gelijkwaardig aan een notariële akte.
- 4De dwingendrechtelijke aard van de bepaling sluit directe toetsing aan het evenredigheidsbeginsel uit.
- 5De minister hoefde de hardheidsclausule niet toe te passen, omdat de omstandigheden van het geval daartoe geen aanleiding gaven.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt dat de formele vereisten van artikel 4.1 Wht strikt worden uitgelegd en dat een notariële legalisatie van handtekeningen niet kan worden gelijkgesteld aan een notariële akte; rechters kunnen deze dwingendrechtelijke drempel niet via het evenredigheidsbeginsel omzeilen.
Praktische impact
Gedupeerde ouders die private schulden willen laten overnemen in het kader van de hersteloperatie toeslagen, moeten er tijdig voor zorgen dat hun schulden zijn vastgelegd in een notariële akte; achteraf legaliseren van handtekeningen biedt geen soelaas.
Onderwerp-impact
Voor de uitvoering van de hersteloperatie toeslagen bevestigt deze uitspraak dat de minister strikte documentatievereisten mag handhaven, wat de toegang tot schuldovername voor gedupeerden met informele leningen beperkt.
Samenvatting
Deze zaak betreft een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire die de minister heeft verzocht een private schuld aan een derde over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De minister weigerde het verzoek bij besluit van 19 oktober 2023, omdat de schuld niet was vastgelegd in een notariële akte en evenmin opeisbaar was vóór 1 juni 2021 — twee cumulatieve voorwaarden uit artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, en tweede lid, van de Wht. Hoewel een onderhandse leningsovereenkomst was opgesteld, kwalificeerde dit document niet als notariële akte. Een op 15 april 2022 door een notaris opgemaakte legalisatieakte, die de handtekeningen onder de leningsovereenkomst authenticeert, deed daar volgens de minister en later de rechtbank niets aan af: legalisatie van handtekeningen is iets wezenlijk anders dan het opmaken van een notariële akte. De rechtbank oordeelde dat de verplichting een notariële akte of rechterlijke uitspraak te overleggen een dwingendrechtelijke bepaling is die niet aan het evenredigheidsbeginsel getoetst kan worden. Omdat appellante niet aan deze voorwaarde voldeed, kon de schuld in beginsel niet worden overgenomen. De rechtbank zag ook geen reden om de minister te verplichten de hardheidsclausule toe te passen. De Raad van State sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank. De centrale juridische vraag — of een notarieel gelegaliseerde handtekening kan worden gelijkgesteld aan een notariële akte in de zin van de Wht — wordt ontkennend beantwoord. Deze uitleg is juridisch verdedigbaar: een notariële akte veronderstelt dat de notaris de inhoud van de akte medeondertekent en daarvoor verantwoordelijkheid draagt, terwijl legalisatie alleen de echtheid van een handtekening bevestigt. De uitkomst maakt duidelijk dat gedupeerden met informele private schulden een aanzienlijk risico lopen dat deze schulden buiten de hersteloperatie vallen, omdat achteraf formaliseren onvoldoende is.