RvS: schuld gedupeerde toeslagenouder aan vader alsnog overgenomen
ECLI:NL:RVS:2026:5151, Raad van State, 02-09-2026, 202405584/1/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 21 april 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) haar schuld van € 17.000,00 aan haar [vader] over te nemen, afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister, waarbij in de primaire fase dit wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. [appellante] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. In de periode lopend van 2014 tot en met 2017 heeft zij € 17.000,00 geleend van haar ouders en dit in verschillende bedragen contant ontvangen. Zij heeft op het moment dat het bedrag opliep de lening vastgelegd in een akte die op het Turkse Consulaat te Rotterdam is opgesteld op 25 oktober 2017. Haar vader is op de akte als de geldlener aangemerkt.
Kern van de zaak
Een als gedupeerde aangemerkte toeslagenouder leende tussen 2014 en 2017 in totaal €17.000 contant van haar vader, vastgelegd in een akte opgesteld bij het Turkse Consulaat in Rotterdam. De minister weigerde de schuld over te nemen omdat deze niet in een notariële akte was vastgelegd en niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021. De rechtbank bevestigde de weigering omdat het bestaan van de schuld onvoldoende bewezen zou zijn.
Beslissing van de rechter
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt zowel de uitspraak van de rechtbank als het besluit op bezwaar, en wijst de aanvraag tot overname van de private schuld aan de vader alsnog toe. Doorslaggevend is dat de minister zelf op zitting twijfel uitte over het bestaan van de schuld, maar de Afdeling kennelijk oordeelt dat het bewijs van de schuld – mede gelet op de consulaire akte – wel voldoende is en de weigeringsgronden van artikel 4.1 Wht niet aan overname in de weg staan.
Impactscore
MiddelDe uitspraak heeft betekenis voor een specifieke groep gedupeerden in de toeslagenaffaire met consulaire of buitenlandse aktes, maar stelt geen fundamenteel nieuwe rechtsregels; het betreft een zaaksgebonden toepassing van de Wht-schuldenovernameregeling.
Belangrijkste punten
- 1Gedupeerde toeslagenouder had €17.000 geleend van haar vader, vastgelegd in een consulaire akte bij het Turkse Consulaat te Rotterdam (2017).
- 2Minister weigerde overname op grond van artikel 4.1 lid 2 en lid 3 onder b Wht: geen notariële akte en schuld was niet opeisbaar vóór 1 juni 2021.
- 3Rechtbank Amsterdam bevestigde de weigering omdat het bestaan van de schuld onvoldoende was aangetoond.
- 4De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar, en herroept ook het primaire besluit.
- 5De aanvraag tot overname van de private schuld wordt door de Afdeling zelf in de zaak voorzien en toegewezen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak verduidelijkt dat een consulaire akte onder omstandigheden voldoende bewijs kan leveren voor het bestaan van een private schuld in het kader van de Wht-schuldenovername, en dat de formele vereisten van artikel 4.1 Wht niet zonder meer doorslaggevend zijn boven de materiële vaststelling van het bestaan van de schuld. Dit is relevant voor de toepassing van de schuldenovernameregeling in de toeslagenaffaire.
Praktische impact
Gedupeerde toeslagenouders die private schulden hebben aan familieleden en deze enkel hebben vastgelegd in buitenlandse of consulaire aktes, kunnen zich op deze uitspraak beroepen om toch voor overname van die schulden in aanmerking te komen. De minister zal aanvragen waarbij een consulaire akte is overgelegd zorgvuldiger moeten beoordelen.
Onderwerp-impact
In het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire geeft deze uitspraak gedupeerden met schulden aan familie een extra rechtsmiddel om overname te bewerkstelligen, ook als niet aan alle formele vereisten van de Wht is voldaan.
Samenvatting
Deze zaak betreft een gedupeerde ouder in de kinderopvangtoeslagaffaire die tussen 2014 en 2017 in totaal €17.000 contant had geleend van haar vader. De lening was niet vastgelegd in een Nederlandse notariële akte, maar in een akte opgesteld bij het Turkse Consulaat te Rotterdam op 25 oktober 2017. De minister van Financiën weigerde de schuld over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht), met als redenering dat de schuld niet notarieel was vastgelegd en niet opeisbaar was vóór 1 juni 2021, zoals vereist door artikel 4.1 lid 2 en lid 3 onder b Wht. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit standpunt en oordeelde bovendien dat het bestaan van de schuld niet afdoende was bewezen. In hoger beroep bij de Raad van State keerden de verhoudingen echter om. Opvallend is dat de minister zelf op de zitting aangaf ook te twijfelen aan het bestaan van de schuld, maar de Afdeling bestuursrechtspraak komt tot een ander oordeel. De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 2 augustus 2024, en vernietigt tevens het besluit op bezwaar van 5 oktober 2023. Bovendien herroept de Afdeling het primaire besluit van 21 april 2023 voor zover daarin de overname van de schuld aan de vader werd geweigerd. Vervolgens voorziet de Raad van State zelf in de zaak door de aanvraag tot overname van de private schuld toe te wijzen. De uitspraak is relevant voor gedupeerden in de toeslagenaffaire die private schulden aan familieleden hebben vastgelegd via buitenlandse of consulaire aktes in plaats van via een Nederlandse notaris. Zij kunnen zich op deze uitspraak beroepen bij een aanvraag tot schuldovername onder de Wht. De minister dient voortaan dergelijke aanvragen zorgvuldiger te beoordelen en kan formele vereisten niet zonder meer als afdoende weigeringsgrond gebruiken wanneer het bestaan van de schuld anderszins aannemelijk is gemaakt.