Asielzoeker heeft geen rechtmatig verblijf na kennelijk ongegrond verklaring
ECLI:NL:RVS:2026:5134, Raad van State, 03-09-2026, BRS.26.003921
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 15 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld. Betrokkene heeft op 25 juni 2026 een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit van 13 juli 2026 heeft de minister deze aanvraag na behandeling in de versnelde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Dit besluit is ook een terugkeerbesluit. Betrokkene heeft hiertegen beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening verzocht. Op 15 juli 2026 heeft de minister betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Deze uitspraak gaat over de vraag of betrokkene na de afwijzing van de asielaanvraag rechtmatig verblijf had tijdens de beroepstermijn en tijdens de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Het antwoord is bepalend voor de vraag of hij op de juiste grondslag in bewaring is gesteld. Anders dan de rechtbank komt de Afdeling in deze uitspraak tot de conclusie dat betrokkene na de afwijzing van zijn asielaanvraag geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, onder 2°, van de Vw 2000 tijdens de beroepstermijn en tijdens de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit volgt uit artikel 68, derde lid, aanhef en onder a, gelezen in samenhang met artikel 68, vijfde lid, onder d, van de Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348). Dit betekent dat de minister betrokkene terecht op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld.
Kern van de zaak
Een asielzoeker diende op 25 juni 2026 een asielaanvraag in, die op 13 juli 2026 in de versnelde procedure werd afgewezen als kennelijk ongegrond. De minister stelde hem daarna in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 Vw 2000. De rechtbank oordeelde dat betrokkene tijdens de beroepstermijn wel rechtmatig verblijf had, waarop de minister in hoger beroep ging.
Beslissing van de rechter
De Raad van State wijst het hoger beroep van de minister toe en concludeert dat betrokkene na afwijzing van zijn asielaanvraag geen rechtmatig verblijf had tijdens de beroepstermijn en de behandeling van het voorlopige voorzieningverzoek. De doorslaggevende reden is artikel 68, derde lid jo. vijfde lid, onder d, van de EU-Procedureverordening 2024/1348, op grond waarvan bij een afwijzing als kennelijk ongegrond in de versnelde procedure het verblijfsrecht niet automatisch doorloopt. De bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 was daarmee rechtmatig.
Impactscore
HoogDe Raad van State legt voor het eerst de nieuwe EU-Procedureverordening 2024/1348 (van toepassing per 12 juni 2026) uit op het cruciale punt van opschortende werking van beroep in versnelde procedures, met directe gevolgen voor de bewaringspraktijk van een grote groep asielzoekers.
Belangrijkste punten
- 1Na afwijzing van een asielaanvraag als kennelijk ongegrond in de versnelde procedure bestaat er geen automatisch rechtmatig verblijf tijdens de beroepstermijn op grond van artikel 8, aanhef en onder h, 2°, Vw 2000.
- 2Artikel 68, derde lid jo. vijfde lid, onder d, Procedureverordening (EU) 2024/1348 is de bepalende grondslag: het recht om te blijven wordt in deze gevallen uitgesloten.
- 3De gevolgen van het terugkeerbesluit worden in de versnelde procedure niet automatisch geschorst conform artikel 68, eerste lid, van de Procedureverordening.
- 4De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat betrokkene procedureel rechtmatig verblijf had; de Raad van State corrigeert dit oordeel.
- 5Vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 was rechtmatig nu geen sprake was van rechtmatig verblijf.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak verduidelijkt de werking van de nieuwe EU-Procedureverordening 2024/1348 in de Nederlandse rechtspraktijk: bij een kennelijk ongegronde afwijzing in de versnelde procedure is er geen automatisch opschortend effect van beroep op het verblijfsrecht. Dit raakt direct de grondslag waarop vreemdelingenbewaring mag worden opgelegd.
Praktische impact
Asielzoekers wier aanvraag in de versnelde procedure kennelijk ongegrond wordt verklaard, kunnen direct in bewaring worden gesteld zonder dat de beroepstermijn of het indienen van een voorlopige voorziening hen beschermt tegen bewaring. Rechtbanken en advocaten dienen bij bewaringszaken voortaan dit onderscheid scherp te maken.
Onderwerp-impact
In asiel- en vreemdelingenrechtpraktijk leidt dit tot een verscherping van de regels rondom verblijfsrecht en bewaring in versnelde procedures, conform de Europese harmonisatie via de Procedureverordening 2024/1348.
Samenvatting
Op 25 juni 2026 diende een asielzoeker een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel in. De minister wees deze aanvraag op 13 juli 2026 af als kennelijk ongegrond na behandeling in de versnelde procedure en vaardigde tegelijkertijd een terugkeerbesluit uit. Op 15 juli 2026 stelde de minister betrokkene in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Betrokkene stelde beroep in bij de rechtbank en verzocht om een voorlopige voorziening. De rechtbank oordeelde dat de bewaring op een onjuiste grondslag berustte, omdat betrokkene naar het oordeel van de rechtbank tijdens de beroepstermijn procedureel rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8, aanhef en onder h, 2°, Vw 2000. De minister ging in hoger beroep bij de Raad van State. De centrale rechtsvraag was of betrokkene na de kennelijk ongegrond verklaring van zijn asielaanvraag rechtmatig verblijf had tijdens de beroepstermijn en gedurende de behandeling van zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Op deze zaak is het recht van toepassing dat geldt vanaf 12 juni 2026, waaronder de nieuwe EU-Procedureverordening (Verordening (EU) 2024/1348). De Raad van State wijst het hoger beroep van de minister toe. Op grond van artikel 68, derde lid, gelezen in samenhang met artikel 68, vijfde lid, onder d, van de Procedureverordening heeft betrokkene na een afwijzing als kennelijk ongegrond in de versnelde procedure geen recht om op het grondgebied van de lidstaten te blijven. Dit betekent ook dat de gevolgen van het terugkeerbesluit niet automatisch worden geschorst. Betrokkene had daardoor geen rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, aanhef en onder h, 2°, Vw 2000. De minister heeft hem derhalve terecht op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld. De Raad van State corrigeert hiermee het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat de bewaring op de juiste grondslag rustte. Deze uitspraak is van belang voor de toepassing van de nieuwe Procedureverordening in de Nederlandse bewaringspraktijk.