Hoger beroep vreemdeling over SIS-signalering ongegrond verklaard
ECLI:NL:RVS:2026:5093, Raad van State, 02-09-2026, BRS.26.000342
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.
Kern van de zaak
Een vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank in een zaak over verblijfsrecht en een SIS-signalering inzake terugkeer. De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn en de toepassing van het evenredigheidsbeginsel.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank is bevestigd. De Afdeling paste de verkorte motiveringsgrond van artikel 91, tweede lid, Vw 2000 toe omdat de rechtsvragen eerder al waren beantwoord in een uitspraak van 17 juli 2026 en het hogerberoepschrift geen nieuwe vragen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming opwierp.
Impactscore
LaagDe uitspraak is een standaard toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000 zonder nieuwe rechtsontwikkeling; alle relevante rechtsvragen waren reeds beantwoord in eerdere jurisprudentie en er worden geen nieuwe regels gesteld.
Belangrijkste punten
- 1Toepassing van artikel 91 lid 2 Vw 2000: geen nadere motivering vereist bij ontbreken van relevante rechtsvragen
- 2Rechtsvragen over artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn (verblijfstoestemming Portugal) en evenredigheidsbeginsel reeds beantwoord in RvS 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177)
- 3Geen vragen over uitleg of geldigheid van Unierecht conform HvJ-arrest Remling (ECLI:EU:C:2026:243)
- 4Geen proceskostenveroordeling ten laste van de minister
- 5Enkelvoudige kamer: zaak werd als niet-complex aangemerkt
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de bestaande lijn inzake de toepassing van de verkorte afdoeningsprocedure in vreemdelingenzaken ex artikel 91 lid 2 Vw 2000 en sluit aan bij de eerder uitgezette koers over de Terugkeerrichtlijn en SIS-signaleringen. Er worden geen nieuwe rechtsregels gevestigd.
Praktische impact
Voor de appellant betekent de uitspraak dat de rechtbankbeslissing in stand blijft en het verblijfsrechtelijke geschil definitief is beslecht in het nadeel van de vreemdeling. Er bestaat geen recht op vergoeding van proceskosten.
Onderwerp-impact
In vreemdelingenzaken rondom SIS-signaleringen en de Terugkeerrichtlijn wordt bevestigd dat verblijfstoestemming in een andere lidstaat (Portugal) niet zonder meer leidt tot opschorting van een terugkeerbesluit, conform de eerder vastgestelde jurisprudentielijn.
Samenvatting
In deze zaak stelde een vreemdeling, bijgestaan door mr. M.J.A. Bakker, hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank. Het geschil had betrekking op een SIS-signalering inzake terugkeer en de vraag of de vreemdeling beschikte over een andere toestemming tot verblijf in Portugal in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, alsmede de toepassing van het evenredigheidsbeginsel in dat verband. De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond met toepassing van de verkorte motiveringsgrond van artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Op grond van deze bepaling hoeft een uitspraak niet nader te worden gemotiveerd indien het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden. De Afdeling stelde vast dat de relevante rechtsvragen — over de uitleg van artikel 6 lid 2 Terugkeerrichtlijn en het evenredigheidsbeginsel in relatie tot SIS-signaleringen — reeds waren beantwoord in een eerdere uitspraak van 17 juli 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4177). Er was geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen. Bovendien werden er geen vragen opgeworpen over de uitleg of geldigheid van Unierecht, in lijn met het HvJ-arrest Remling van 24 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:243). De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. De zaak werd enkelvoudig afgedaan, hetgeen aangeeft dat de Afdeling de zaak als niet-complex heeft beoordeeld. De uitspraak heeft geen zelfstandige precedentwerking en vormt een routinematige bevestiging van bestaande jurisprudentie op het terrein van de Terugkeerrichtlijn en vreemdelingenrecht.