Raad van State wijst verzoek voorlopige voorziening af
ECLI:NL:RVS:2026:5091, Raad van State, 28-08-2026, 202602438/2/A2
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij beslissing van 15 april 2026 heeft de selectiecommissie Geneeskunde aan [verzoekster] het rangnummer 703 toegekend. Bij beslissing van 10 juni 2026 heeft het college van bestuur van de Universiteit Utrecht het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Op 17 juni 2026 heeft [verzoekster] een het college verzocht om herziening van de beslissing van 10 juli 2026. Bij beslissing van 4 augustus 2026 heeft het college het herzieningsverzoek afgewezen. Tegen de beslissingen van 10 juni en 4 augustus 2026 heeft [verzoekster] beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Kern van de zaak
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen beslissingen van het college van 10 juni en 4 augustus 2026, waarbij een herzieningsverzoek werd afgewezen. Zij vroeg tevens om een voorlopige voorziening bij de voorzieningenrechter van de Raad van State.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen. De doorslaggevende reden is dat de Afdeling in de hoofdzaak (ECLI:NL:RVS:2026:5090) op het beroep heeft beslist, waardoor er geen grond meer bestaat voor het treffen van een voorlopige maatregel.
Impactscore
LaagHet betreft een procedurele voorlopige-voorzieningsbeslissing zonder zelfstandige juridische betekenis; de inhoudelijke beoordeling vindt plaats in de hoofdzaak.
Belangrijkste punten
- 1De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
- 2De afwijzing is gebaseerd op de gelijktijdige uitspraak in de hoofdzaak (202602438/1/A2, ECLI:NL:RVS:2026:5090).
- 3Verzoekster had eerder een herzieningsverzoek ingediend dat door het college op 4 augustus 2026 was afgewezen.
- 4Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
- 5De uitspraak is een procedurele beslissing die inhoudelijk afhangt van de uitkomst in de bodemzaak.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt de gebruikelijke praktijk dat een verzoek om voorlopige voorziening vervalt zodra de bodemzaak is beslist; er worden geen nieuwe rechtsregels geformuleerd.
Praktische impact
Verzoekster verkrijgt geen voorlopige bescherming en zal de uitkomst van de hoofdzaak moeten afwachten; proceskosten worden niet vergoed.
Onderwerp-impact
De zaak raakt het terrein van bestuursrechtelijke handhaving of besluitvorming door een overheidsorgaan; zonder volledige tekst van de hoofdzaak blijft de sector-specifieke impact onduidelijk.
Samenvatting
Op 28 augustus 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster afgewezen. De achtergrond van de zaak is als volgt: verzoekster had het college verzocht een eerdere beslissing te herzien. Nadat het herzieningsverzoek op 4 augustus 2026 was afgewezen, stelde zij beroep in tegen de beslissingen van 10 juni en 4 augustus 2026 en diende zij tegelijkertijd een verzoek in voor een voorlopige voorziening om de rechtsgevolgen van die besluiten hangende de beroepsprocedure te schorsen of anderszins te beperken. De voorzieningenrechter heeft het verzoek echter afgewezen, uitsluitend omdat de Afdeling op dezelfde dag in de hoofdzaak uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:RVS:2026:5090). Nu het beroep in de bodemzaak is beslecht, bestaat er geen spoedeisend belang meer bij een voorlopige maatregel en is het verzoek daarmee zonder verdere inhoudelijke beoordeling van de gronden niet toewijsbaar. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak heeft geen zelfstandige juridische betekenis buiten deze specifieke procedure: zij is een logisch uitvloeisel van de koppeling tussen een voorlopige-voorzieningsprocedure en de bijbehorende hoofdzaak. Inhoudelijke beoordeling van de rechtmatigheid van de besluiten van het college heeft plaatsgevonden in zaak 202602438/1/A2. De beschikbare tekst van de onderhavige uitspraak is onvolledig, waardoor de feitelijke context en het toepasselijke beleidsterrein slechts gedeeltelijk kunnen worden vastgesteld.