Hoger beroep asielzoeker ongegrond: ongeloofwaardig relaas gehandhaafd
ECLI:NL:RVS:2026:5087, Raad van State, 01-09-2026, BRS.26.001906
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 22 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker ging in hoger beroep tegen een afwijzing van zijn asielaanvraag. Hij stelde dat de geloofwaardigheidsbeoordeling door de minister, toegepast via werkinstructie WI 2024/6, in strijd was met het Unierecht (artikel 4 Kwalificatierichtlijn). De rechtbank had eerder al geoordeeld dat het asielrelaas terecht ongeloofwaardig was bevonden.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ongegrond verklaard. De Afdeling oordeelt dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas ongeloofwaardig is en alle relevante aspecten heeft betrokken, waardoor de toepassing van WI 2024/6 niet tot een onrechtmatig besluit heeft geleid. Beantwoording van de Unierechtelijke rechtsvraag over artikel 4 Kwalificatierichtlijn is niet nodig voor de oplossing van deze zaak.
Impactscore
LaagDe uitspraak is casusgericht en laat de principiële Unierechtelijke vraag over WI 2024/6 uitdrukkelijk onbeantwoord. Er worden geen nieuwe rechtsnormen gesteld en de zaak wordt afgedaan via de verkorte motiveringsroute van artikel 91 lid 2 Vw 2000.
Belangrijkste punten
- 1De minister heeft de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas deugdelijk gemotiveerd met inachtneming van alle relevante aspecten.
- 2De toepassing van WI 2024/6 leidt in dit concrete geval niet tot een onrechtmatig besluit, ook als de Unierechtelijke vraag onbeantwoord blijft.
- 3Er bestaat geen aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU over artikel 4 Kwalificatierichtlijn, nu de uitkomst van de zaak er niet van afhangt (Cilfit-doctrine).
- 4Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin (art. 91 lid 2 Vw 2000), zodat geen nadere motivering vereist is.
- 5Geen proceskostenveroordeling.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak laat zien dat de Afdeling de Unierechtelijke vraag over WI 2024/6 en artikel 4 Kwalificatierichtlijn in het midden kan laten zolang de zaak ook op andere gronden wordt afgedaan. De Cilfit-doctrine wordt toegepast conform het recente arrest Remling (HvJ EU 24 maart 2026).
Praktische impact
Voor appellant heeft de uitspraak tot gevolg dat zijn asielaanvraag definitief is afgewezen. Voor toekomstige asielzoekers die WI 2024/6 aanvechten, biedt deze zaak geen duidelijkheid over de Unierechtelijke houdbaarheid van die werkinstructie.
Onderwerp-impact
De Unierechtelijke vraag over de conformiteit van WI 2024/6 met de Kwalificatierichtlijn blijft vooralsnog onbeantwoord, wat betekent dat in toekomstige zaken waar die vraag wél de uitkomst bepaalt, de discussie opnieuw gevoerd moet worden.
Samenvatting
In deze zaak stelde een asielzoeker hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen de bevestiging door de rechtbank van de afwijzing van zijn asielaanvraag door de minister. De kern van het hoger beroep was de vraag of de geloofwaardigheidsbeoordeling die de minister had uitgevoerd op basis van werkinstructie WI 2024/6 in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn en daarmee met het Unierecht. Appellant verzocht de Afdeling bovendien om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond. Zij oordeelt dat de minister het asielrelaas van appellant zelfstandig en deugdelijk ongeloofwaardig heeft gemotiveerd, waarbij alle relevante aspecten zijn betrokken. Omdat de uitkomst van de zaak hiermee vaststaat, is beantwoording van de opgeworpen Unierechtelijke rechtsvraag over de uitleg van artikel 4 Kwalificatierichtlijn niet noodzakelijk voor de oplossing van het geschil. Op grond van de Cilfit-doctrine — zoals bevestigd in de arresten Consorzio Italian Management en het recente arrest Remling van 24 maart 2026 — bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Daarnaast maakt de Afdeling gebruik van de verkorte motiveringsroute van artikel 91 lid 2 Vw 2000: het hogerberoepschrift bevat geen vragen die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, en roept — buiten grief 1 — geen vragen op over Unierechtelijke uitleg of geldigheid. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De principiële vraag over de Unierechtelijke houdbaarheid van WI 2024/6 blijft daarmee in deze procedure uitdrukkelijk open.