Uitzetting asielzoeker geschorst tot uitspraak hoger beroep
ECLI:NL:RVS:2026:5086, Raad van State, 28-08-2026, BRS.26.004525
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 9 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Een asielzoeker heeft de voorzieningenrechter van de Raad van State verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij niet wordt uitgezet voordat op zijn hoger beroep is beslist en dat hij recht op opvang en verstrekkingen krijgt.
Beslissing van de rechter
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en schorst de uitzetting totdat op het hoger beroep is beslist. De minister van Asiel en Migratie wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,00. De doorslaggevende reden is gelegen in de aangevoerde gronden, met toepassing van de vaste lijn uit de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019.
Impactscore
LaagHet betreft een standaard voorlopige voorzieningsbeslissing in een individuele vreemdelingenzaak op basis van vaste jurisprudentie, zonder nieuwe rechtsontwikkeling of precedentwerking voor andere zaken.
Belangrijkste punten
- 1Voorlopige voorziening toegewezen: uitzetting geschorst totdat op het hoger beroep is beslist
- 2Verzoek om opvang en verstrekkingen is mede onderdeel van het verzoek
- 3Afdeling past vaste jurisprudentielijn toe (ECLI:NL:RVS:2019:457) bij toewijzing
- 4Minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot proceskosten van € 934,00
- 5Uitspraak is een voorlopige maatregel; de bodemprocedure (hoger beroep) loopt nog
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak past de bestaande vaste jurisprudentielijn van de Afdeling bestuursrechtspraak toe bij voorlopige voorzieningen in vreemdelingenzaken en voegt geen nieuwe rechtsregel toe. De schorsende werking beperkt zich tot de looptijd van het hoger beroep.
Praktische impact
De asielzoeker mag voorlopig in Nederland blijven en kan geen uitzetting ondergaan zolang het hoger beroep loopt. De minister wordt geconfronteerd met een tijdelijke beperking van het uitzetbevel en draagt de proceskosten.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratiezaken biedt deze uitspraak betrokkenen een tijdelijke bescherming tegen uitzetting, wat in de praktijk van groot belang is voor de rechtspositie van asielzoekers die hoger beroep instellen.
Samenvatting
Een asielzoeker verzocht de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen in het kader van een door hem ingesteld hoger beroep. Zijn verzoek strekte er primair toe dat hij niet zou worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, en daarnaast dat hij aanspraak zou krijgen op opvang en verstrekkingen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek toegewezen op basis van de door verzoeker aangevoerde gronden, daarbij verwijzend naar de vaste lijn die de Afdeling hanteert in dergelijke gevallen, zoals neergelegd in de uitspraak van 20 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:457). Als gevolg hiervan is bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat de asielzoeker niet mag worden uitgezet totdat de Afdeling een definitieve uitspraak heeft gedaan in de hoofdprocedure. Tevens is de minister van Asiel en Migratie veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten ten bedrage van € 934,00, geheel toe te rekenen aan beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak heeft een voorlopig karakter: zij schort de uitzetting slechts op gedurende de looptijd van het hoger beroep en doet geen definitieve uitspraak over de rechtmatigheid van het besluit van de minister. Inhoudelijk voegt de beslissing geen nieuwe rechtsnorm toe aan het vreemdelingenrecht; zij past een gevestigde toetsingslijn toe. Voor de betrokken asielzoeker heeft de uitspraak evenwel directe en ingrijpende praktische betekenis, nu zij hem beschermt tegen gedwongen verwijdering zolang zijn zaak nog onder de rechter is.