Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen wegens bodemprocedure
ECLI:NL:RVS:2026:5074, Raad van State, 02-09-2026, 202601197/2/R4
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluit van 24 februari 2026 heeft de raad van de gemeente Overbetuwe het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Woningbouw Kerkstraat, Randwijk" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe vastgesteld.
Kern van de zaak
Een verzoeker diende een verzoek om voorlopige voorziening in bij de Raad van State tegen een besluit van de gemeenteraad. Op dezelfde dag deed de Afdeling uitspraak in de bodemprocedure, waardoor het verzoek zijn grondslag verloor.
Beslissing van de rechter
Het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen omdat de Afdeling op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (ECLI:NL:RVS:2026:5139), waardoor er geen geding meer bestaat waaraan de voorlopige voorziening dienstbaar kan zijn. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Impactscore
LaagDe uitspraak is puur procedureel van aard, bevestigt bestaande vaste jurisprudentie over het accessoire karakter van voorlopige voorzieningen en heeft geen zelfstandige inhoudelijke rechtsontwikkeling. De feitelijke tekst van de uitspraak bevat onvoldoende context over het onderliggende geschil.
Belangrijkste punten
- 1De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af vanwege het ontbreken van een aanhangig geding
- 2De bodemprocedure (ECLI:NL:RVS:2026:5139) is op dezelfde datum beslist als het verzoek om voorlopige voorziening
- 3Een voorlopige voorziening kan alleen worden toegewezen als er nog een lopend geding is
- 4De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden
- 5De uitspraak is procedureel van aard en bevat geen inhoudelijk oordeel over het onderliggende geschil
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn dat een verzoek om voorlopige voorziening vervalt zodra de bodemzaak is beslist, nu de voorlopige maatregel haar accessoire functie verliest. Dit is een standaardtoepassing van het accessoire karakter van de voorlopige voorzieningsprocedure in het bestuursprocesrecht.
Praktische impact
Voor verzoeker betekent dit dat hij geen schorsing of andere tijdelijke maatregel verkrijgt, maar dat de uitkomst al vaststaat via de bodemprocedure; proceskosten worden niet vergoed.
Onderwerp-impact
In ruimtelijke ordenings- of bestuurszaken leidt gelijktijdige behandeling van beroep en voorlopige voorziening ertoe dat de voorzieningsprocedure automatisch eindigt bij afdoening van het beroep.
Samenvatting
Op 2 september 2026 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een verzoek om voorlopige voorziening afgewezen in een zaak waarbij een verzoeker opkwam tegen een besluit van de gemeenteraad. De centrale procedurele vraag was of het verzoek om voorlopige voorziening nog kon worden behandeld en toegewezen. De voorzieningenrechter oordeelde van niet, omdat de Afdeling op diezelfde dag uitspraak had gedaan in de bijbehorende bodemprocedure (ECLI:NL:RVS:2026:5139). Doordat de hoofdzaak was afgedaan, bestond er geen geding meer waaraan een voorlopige voorziening dienstbaar kon zijn. Een voorlopige voorziening heeft immers een accessoir karakter: zij dient uitsluitend ter bescherming van de rechtspositie van een partij gedurende de periode dat de bodemprocedure nog loopt. Zodra die bodemprocedure is geëindigd, verliest de voorlopige voorziening haar bestaansgrond. De voorzieningenrechter paste daarmee een vaste en gevestigde lijn toe in het bestuursprocesrecht. Omdat het verzoek werd afgewezen op louter processuele gronden, werd de gemeenteraad niet veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak zelf bevat geen inhoudelijke beoordeling van het onderliggende geschil; de rechtsvragen die daarin aan de orde waren, zijn beantwoord in de bodemprocedure. Het betreft daarmee een routinematige procedurele beslissing met een beperkte zelfstandige juridische waarde, maar wel illustratief voor de wijze waarop de Afdeling omgaat met samenlopende beroeps- en voorzieningsprocedures.