Raad van State: minderjarige asielzoeker moet gehoord worden
ECLI:NL:RVS:2026:5073, Raad van State, 02-09-2026, BRS.26.001417
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Bij besluiten van 11 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Kern van de zaak
Drie appellanten stelden hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag over asielbesluiten. Appellant 2 klaagde dat de minister haar minderjarige dochter (geboren 2010) ten onrechte niet had gehoord in de asielprocedure. De minister stelde dat horen van begeleide minderjarigen zonder zelfstandig asielmotief doorgaans niet zinvol is.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep van appellant 2 is gegrond verklaard en het asielbesluit van 11 november 2025 is vernietigd, omdat de minister verplicht is begeleide minderjarigen tussen twaalf en vijftien jaar in de gelegenheid te stellen hun mening te uiten wanneer zij daarom verzoeken. De hoger beroepen van appellanten 1 en 3 zijn ongegrond verklaard zonder nadere motivering op grond van artikel 91 lid 2 Vw 2000.
Impactscore
HoogDe uitspraak heeft directe gevolgen voor een breed scala aan lopende en toekomstige asielzaken waarbij begeleide minderjarigen van 12-15 jaar betrokken zijn, en legt een concrete procedurele verplichting op aan de minister die afwijking van eerder beleid vereist.
Belangrijkste punten
- 1Begeleide minderjarigen tussen 12 en 15 jaar zonder zelfstandig asielmotief hebben het recht om gehoord te worden als zij daarom verzoeken.
- 2De minister mag slechts in bijzondere gevallen van horen afzien, uitsluitend als de belangen van het kind dit rechtvaardigen.
- 3Het argument dat horen van begeleide minderjarigen zonder zelfstandig asielmotief 'niet zinvol' is, mag niet worden meegewogen bij de afweging om af te zien van horen.
- 4Als de minister afziet van horen ondanks een verzoek daartoe, moet hij dit concreet en toegespitst motiveren in het besluit.
- 5De hoger beroepen van appellanten 1 en 3 falen op de vereenvoudigde afdoening van artikel 91 lid 2 Vw 2000.
Impactanalyse
Juridische impact
Deze uitspraak bevestigt en verduidelijkt de uit ECLI:NL:RVS:2025:3899 voortvloeiende hoorplicht voor begeleide minderjarige asielzoekers van 12-15 jaar, en maakt duidelijk dat de minister zijn beleid om deze groep standaard niet te horen niet kan handhaven. Besluiten waarbij dit recht wordt miskend zonder concrete motivering zijn vatbaar voor vernietiging.
Praktische impact
De minister van Asiel en Migratie zal zijn werkwijze moeten aanpassen en begeleide minderjarigen tussen 12 en 15 jaar actief in de gelegenheid moeten stellen hun mening te geven wanneer zij daarom verzoeken, met individuele motivering wanneer hiervan wordt afgeweken.
Onderwerp-impact
In asiel- en migratieprocedures die minderjarigen betreffen, zullen de IND en de minister structureel rekening moeten houden met het hoorrecht van deze leeftijdsgroep, wat de procedurele waarborgen voor minderjarige vreemdelingen versterkt.
Samenvatting
In deze zaak stelden drie appellanten hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag (zittingsplaats Arnhem) over asielbeslissingen. De meest inhoudelijk relevante grief betrof appellant 2, wier minderjarige dochter – geboren op 17 oktober 2010 en dus tussen de twaalf en vijftien jaar oud – door de minister niet was gehoord in de procedure. De minister had zich op het standpunt gesteld dat hij hiertoe niet gehouden was, omdat begeleide minderjarigen zonder zelfstandig asielmotief doorgaans niet zinvol rechtstreeks kunnen worden gehoord. De Afdeling oordeelt dat dit standpunt in strijd is met haar eerdere uitspraak van 20 augustus 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3899). Uit die uitspraak volgt dat de minister verplicht is begeleide minderjarigen in de leeftijd van twaalf tot vijftien jaar die in staat zijn hun mening te vormen, de gelegenheid te bieden vrijelijk hun mening te uiten over alle hen betreffende aangelegenheden. Alleen in bijzondere gevallen, en uitsluitend wanneer de belangen van het kind dit rechtvaardigen, mag de minister afzien van horen na een daartoe strekkend verzoek. De enkele overweging dat horen in dit soort procedures 'niet zinvol' is, volstaat daarvoor niet. Bovendien moet de minister een beslissing om niet te horen concreet en op de individuele situatie toegespitst motiveren. Nu de minister dit heeft nagelaten, verklaart de Afdeling het hoger beroep van appellant 2 gegrond, vernietigt zij de aangevallen uitspraak voor zover het beroep van appellant 2 ongegrond werd verklaard, en vernietigt zij het onderliggende besluit van 11 november 2025. De hoger beroepen van appellanten 1 en 3 worden ongegrond verklaard via de vereenvoudigde afdoening van artikel 91 lid 2 Vw 2000, omdat hun beroepschriften geen vragen opwerpen die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming.