Minister betaalt proceskosten na alsnog inwilligen asielaanvraag
ECLI:NL:RVS:2026:5071, Raad van State, 31-08-2026, 202406345/1/V1
Inhoudsindicatie
(officieel, Rechtspraak.nl)Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 20 september 2024, in zaak nr. NL24.25265.
Kern van de zaak
Een asielzoeker had hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank bepaalde beslistermijn, omdat de minister niet tijdig had beslist op zijn asielaanvraag. Hangende het hoger beroep nam de minister alsnog een besluit en willigde de asielaanvraag in. Verzoeker trok daarop het hoger beroep in en verzocht om proceskostenveroordeling van de minister.
Beslissing van de rechter
Het hoger beroep is ingetrokken; de Raad van State veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van proceskosten van € 467,00. Doorslaggevend is dat het alsnog nemen van een besluit hangende het beroep als tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75 Awb wordt aangemerkt, wat aanleiding geeft tot proceskostenveroordeling.
Impactscore
LaagDe uitspraak past bestaande vaste rechtspraak toe zonder nieuwe rechtsnormen te stellen; de financiële omvang is beperkt en de casus is procedureel van aard.
Belangrijkste punten
- 1Het alsnog nemen van een besluit hangende beroep wegens niet-tijdig beslissen geldt als tegemoetkomen ex artikel 8:75 Awb.
- 2Proceskostenveroordeling is op zijn plaats ook als het hoger beroep over de beslistermijn gaat en niet direct over de inhoud van het besluit.
- 3De Afdeling past wegingsfactor 0,5 toe omdat het hoger beroep uitsluitend zag op het niet-tijdig beslissen.
- 4De asielaanvraag is op 22 juli 2026 ingewilligd; verzoeker heeft geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
- 5Er is geen beroep van rechtswege ontstaan waarop de Afdeling nog diende te beslissen.
Impactanalyse
Juridische impact
De uitspraak bevestigt de vaste lijn van de Afdeling dat het alsnog nemen van een besluit na het instellen van beroep wegens niet-tijdig beslissen steeds als tegemoetkomen wordt aangemerkt, met proceskostenveroordeling als gevolg. Toepassing van wegingsfactor 0,5 bij zaken die uitsluitend over de beslistermijn gaan wordt herbevestigd.
Praktische impact
De minister moet € 467,00 aan proceskosten vergoeden aan de asielzoeker. De asielzoeker heeft inmiddels een verblijfsvergunning ontvangen en behoeft geen verdere procedure te voeren.
Onderwerp-impact
In asielzaken onderstreept deze uitspraak dat de overheid financiële consequenties draagt wanneer zij niet tijdig beslist, zelfs als de zaak uiteindelijk in het voordeel van de vreemdeling wordt beslecht.
Samenvatting
In deze zaak had een asielzoeker hoger beroep ingesteld bij de Raad van State tegen een uitspraak van de rechtbank over de beslistermijn die aan de minister was opgelegd wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Hangende dit hoger beroep nam de minister op 22 juli 2026 alsnog een besluit en willigde de asielaanvraag in. Verzoeker trok vervolgens het hoger beroep in en verzocht de Afdeling de minister te veroordelen in de proceskosten op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De juridische vraag was of het alsnog nemen van een besluit als 'tegemoetkomen' in de zin van artikel 8:75 Awb kon worden aangemerkt, hetgeen aanleiding zou geven tot een proceskostenveroordeling. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend, onder verwijzing naar haar vaste rechtspraak (onder meer ECLI:NL:RVS:2019:665 en ECLI:NL:RVS:2024:4296). Het feit dat het hoger beroep betrekking had op de door de rechtbank vastgestelde beslistermijn en niet rechtstreeks op de inhoud van het asielverzoek, doet hieraan niet af: het belang bij een uitspraak is komen te vervallen door het alsnog genomen besluit, en dat is toe te rekenen aan het handelen van de minister. De Afdeling veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van € 467,00 aan proceskosten (één punt voor het hogerberoepschrift, met wegingsfactor 0,5 omdat de zaak uitsluitend zag op het niet-tijdig beslissen). Omdat de asielaanvraag is ingewilligd en verzoeker geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 22 juli 2026, is er geen beroep van rechtswege waarop de Afdeling nog moest oordelen. De uitspraak is een routinematige bevestiging van bestaande rechtspraak zonder nieuwe rechtsontwikkeling.